De koers van obligaties op de secundaire markt (dat is de tweedehandsmarkt) is afhankelijk van vier factoren: de looptijd, de aflossing, de couponrente en het marktrenteniveau. Het zijn dan ook deze vier elementen die de zogeheten duration of rentegevoeligheid bepalen.

De duration van een obligatie is alvast omgekeerd evenredig met de couponrente en met de koers op dat moment. Daarnaast volgt ze de evolutie van de looptijd. We besparen je de technische details, maar we kunnen dit als volgt samenvatten:

  • hoe lager de couponrente, hoe hoger de rentegevoeligheid van de obligatie.
  • hoe lager de koers, hoe hoger de rentegevoeligheid.
  • hoe langer de looptijd, hoe hoger de rentegevoeligheid.

Wat betekent dat in de praktijk?

Stel, er wordt een algemene rentestijging verwacht op de financiële markten. De koers van de bestaande obligaties op de secundaire markt zal dan dalen, want ze worden (vanwege hun lagere coupons) nu minder interessant dan nieuwe uitgiftes (met relatief hogere coupons). Het bovenstaande kunnen we dus vertalen in:

  • hoe lager de couponrente, hoe hoger de koersdaling bij een rentestijging.
  • hoe lager de koers, hoe hoger de koersdaling bij een rentestijging.
  • hoe langer de looptijd, hoe hoger de koersdaling bij een rentestijging.

Wanneer een algemene rentestijging verwacht wordt, is het dus aangewezen om te kiezen voor obligaties met kortere looptijden, omdat de koers dan in principe minder fel zal dalen. Bovendien kan je ze (op de eindvervaldag) dan sneller inwisselen voor nieuwe obligaties met hogere coupons. Bij een verwachte rentedaling geldt het omgekeerde.

De koers van obligaties op de secundaire markt (dat is de tweedehandsmarkt) is afhankelijk van vier factoren: de looptijd, de aflossing, de couponrente en het marktrenteniveau. Het zijn dan ook deze vier elementen die de zogeheten duration of rentegevoeligheid bepalen. De duration van een obligatie is alvast omgekeerd evenredig met de couponrente en met de koers op dat moment. Daarnaast volgt ze de evolutie van de looptijd. We besparen je de technische details, maar we kunnen dit als volgt samenvatten: Stel, er wordt een algemene rentestijging verwacht op de financiële markten. De koers van de bestaande obligaties op de secundaire markt zal dan dalen, want ze worden (vanwege hun lagere coupons) nu minder interessant dan nieuwe uitgiftes (met relatief hogere coupons). Het bovenstaande kunnen we dus vertalen in: Wanneer een algemene rentestijging verwacht wordt, is het dus aangewezen om te kiezen voor obligaties met kortere looptijden, omdat de koers dan in principe minder fel zal dalen. Bovendien kan je ze (op de eindvervaldag) dan sneller inwisselen voor nieuwe obligaties met hogere coupons. Bij een verwachte rentedaling geldt het omgekeerde.