De eerste maand van het jaar is op de financiële markten een pak beter verlopen dan het laatste kwartaal van vorig jaar. Zowat alle financiële instellingen zijn intussen klaar met hun berekeningen over 2018. Voor beleggers is het allesbehalve een rooskleurig jaar geweest. 2019 kan dan ook moeilijk een nog slechter beleggingsjaar worden dan 2018.

Als we kijken naar de prestaties van de Standard&Poor's-500-index sinds 1873 als maatstaf voor de ontwikkeling van de Amerikaanse aandelenmarkten, dan waren 106 van de 146 jaren positief, 73 procent van het totaal. Slechts in afgerond een kwart van de tijd werd een resultaat in het rood opgetekend. Maar 2018 was daar wel bij. Nog straffer is het als we kijken naar de prestatie van de Amerikaanse obligatiemarkt. Sinds 1900 tekende die markt precies 100 keer (85%) een positieve jaarreturn op. Ook daar zat 2018 in het verkeerde kamp.

De combinatie van dalende Amerikaanse aandelen- en obligatiekoersen is al helemaal een rariteit. Het is pas de derde keer sinds 1900 (dus 3 op 118 jaar) dat dit fenomeen zich voordoet in de Verenigde Staten. We hebben er de voorbije jaren herhaaldelijk op gewezen dat de politiek van monetaire versoepeling door de belangrijkste centrale banken ter wereld heeft geleid tot asset inflation, het gezamenlijk stijgen van diverse beleggingsactiva als aandelen, obligaties, vastgoed enzovoort, en dat bij een ommekeer de rendementen globaal zouden tegenvallen.

Dat is exact wat we vorig jaar hebben gezien. We hadden gehoopt dat de edelmetalen, zoals goud en zilver, een tegenwicht zouden vormen. Dat was het geval in het laatste kwartaal, maar dat geldt eigenlijk niet voor het volledige jaar 2018. Daar was het rendement veeleer vlak en dus geen echte compensatie voor de verliezen van de andere activaklassen. Het besluit is dat het voor klassiek samengestelde portefeuilles ondoenbaar was geen zwak rendement te hebben over het afgelopen jaar.

Lagere winstverwachtingen

Het resultatenseizoen draait intussen op volle toeren op Wall Street en in Europa begint het wat vaart te krijgen. De verwachtingen zijn heel verschillend over beide continenten. Kenmerkend voor beide is wel dat in enkele maanden en vaak zelfs amper enkele weken de verwachtingen serieus zijn teruggeschroefd. Op Wall Street ging het van 17 naar 12 procent gemiddelde winstgroei voor het vierde kwartaal. Met naar Amerikaanse normen een heel beperkte groei van 2 à 3 procent voor de eerste helft van dit jaar.

Voor Europa zijn de aanpassingen nog een pak drastischer. Begin vorig jaar zag men in Europa nog 10 of meer procent winstgroei mogelijk in het laatste kwartaal, maar nu ligt de gemiddelde verwachting op een daling van 7 procent. Dat wil ook wel zeggen dat de lat globaal wellicht voldoende is verlaagd om geen grote schade aan de beursindexen aan te richten in de komende weken.