De Europese financiële sector kende een spectaculaire inflatie van zijn balansen (ondermeer dankzij Basel II ) waardoor zowel sommige individuele banken als de som van de financiële instellingen een veelvoud vormden van het BNP van een land.

Deze opmerking is niet vrijblijvend want dit leidt tot twee concrete gevolgen.

Enerzijds wordt een bank zo "too big to fail" en verplicht zij haar thuisland om op te treden bij een faling. Het persverse gevolg hiervan is dat grote banken steeds betere marktrentes weten te bekomen dan kleinere banken ( die hun balans totaal niet wensen te inflateren met risicodragende activiteiten ) steeds verder weggedrumd dreigen te worden.

Het is vandaar niet verwonderlijk om per land een duidelijke relatie te zien tussen de diepgang van de crisis en het gewicht van hun banksector.

De bankenunie pretendeert hieraan te verhelpen maar zal volgens professor Stefan Duchateau precies het tegenovergestelde effecten veroorzaken. Zeer grote instellingen zijn nu niet meer afgeremd door de beperktheid van hun land maar kunnen terugvallen op de Europese garantie.

Vandaar dat de oprichting van de bankenunie gepaard met gaan met instructies hoe en wanneer de Europese unie besluit om een bank in faling te laten gaan.

Dit moet worden geregeld via de Recovery & Resolution act die momenteel ter stemming wordt aangeboden aan het Europese parlement.

In ieder geval moet de "size" van een bank aangestreept worden als een belangrijke bron van systeemrisico met als concrete maatregel dat een kost aan de gemeenschap zou moeten worden betaald wanneer een bank boven een bepaalde omvang gaat en hierdoor impliciet misbruik maakt van haar relatieve gewicht op de economie.

Anderzijds stelt zich een pertinent ander probleem. De efficiënte van de toezichthouders verschilde zeer sterk tussen de diverse Europese lidstaten.

Dit verschil leidde tot zeer disperse reacties en uiteenlopende gevolgen- Een muntzone kan dergelijke verschillen echter niet dragen want dit leidt tot uiteenlopende economische prestaties, die de fundamenten van een ééngemaakte munt snel ondergraven.

Dit verschil in efficiëntie is vooral te wijten aan een phenomeen dat in de wetenschappelijke literatuur omschreven staat als "regulatory forbearance" en werd, onmiddellijk nadat de eerste gevolgen van de crisis zichtbaar werden, door het IMF reeds omschreven als een belangrijke oorzaak voor de versnelde doorzetting van het systeemrisico: In een land dat een dominant gewicht van haar financiële sector moet torsen, kan het locale toezicht moeilijk nog objectief verlopen en is men geneigd om falende banken toch verder te laten functioneren (waardoor de rest mee "besmet" zal worden).

De Europese financiële sector kende een spectaculaire inflatie van zijn balansen (ondermeer dankzij Basel II ) waardoor zowel sommige individuele banken als de som van de financiële instellingen een veelvoud vormden van het BNP van een land. Deze opmerking is niet vrijblijvend want dit leidt tot twee concrete gevolgen. Enerzijds wordt een bank zo "too big to fail" en verplicht zij haar thuisland om op te treden bij een faling. Het persverse gevolg hiervan is dat grote banken steeds betere marktrentes weten te bekomen dan kleinere banken ( die hun balans totaal niet wensen te inflateren met risicodragende activiteiten ) steeds verder weggedrumd dreigen te worden. Het is vandaar niet verwonderlijk om per land een duidelijke relatie te zien tussen de diepgang van de crisis en het gewicht van hun banksector. De bankenunie pretendeert hieraan te verhelpen maar zal volgens professor Stefan Duchateau precies het tegenovergestelde effecten veroorzaken. Zeer grote instellingen zijn nu niet meer afgeremd door de beperktheid van hun land maar kunnen terugvallen op de Europese garantie. Vandaar dat de oprichting van de bankenunie gepaard met gaan met instructies hoe en wanneer de Europese unie besluit om een bank in faling te laten gaan. Dit moet worden geregeld via de Recovery & Resolution act die momenteel ter stemming wordt aangeboden aan het Europese parlement. In ieder geval moet de "size" van een bank aangestreept worden als een belangrijke bron van systeemrisico met als concrete maatregel dat een kost aan de gemeenschap zou moeten worden betaald wanneer een bank boven een bepaalde omvang gaat en hierdoor impliciet misbruik maakt van haar relatieve gewicht op de economie. Anderzijds stelt zich een pertinent ander probleem. De efficiënte van de toezichthouders verschilde zeer sterk tussen de diverse Europese lidstaten. Dit verschil leidde tot zeer disperse reacties en uiteenlopende gevolgen- Een muntzone kan dergelijke verschillen echter niet dragen want dit leidt tot uiteenlopende economische prestaties, die de fundamenten van een ééngemaakte munt snel ondergraven. Dit verschil in efficiëntie is vooral te wijten aan een phenomeen dat in de wetenschappelijke literatuur omschreven staat als "regulatory forbearance" en werd, onmiddellijk nadat de eerste gevolgen van de crisis zichtbaar werden, door het IMF reeds omschreven als een belangrijke oorzaak voor de versnelde doorzetting van het systeemrisico: In een land dat een dominant gewicht van haar financiële sector moet torsen, kan het locale toezicht moeilijk nog objectief verlopen en is men geneigd om falende banken toch verder te laten functioneren (waardoor de rest mee "besmet" zal worden).