Eind jaren 70 liet de regering de situatie volledig uit de hand lopen. Daarna werd doorheen de jaren 80 en 90 een spectaculaire saneringsinspanning afgewerkt. Vanaf 2000 werd helaas de opgebouwde buffer terug opgesoupeerd.

Tegen die achtergrond dienen de begrotingsdoelstellingen om de regering een zekere discipline op te leggen, maar economisch hebben die op zich weinig waarde.

Met de Belgische overheidsfinanciën zit het op korte termijn vrij goed. Het nipt missen van de doelstelling verandert daar weinig of niks aan.

Het primaire saldo (d.i. het totale saldo exclusief de rentelasten), wat de meest relevante factor is voor de dynamiek van de overheidsschuld, is vandaag zo goed als in evenwicht.

Met zo'n 100% van het BBP is de overheidsschuld vrij hoog, maar belangrijker, die schuld is redelijk stabiel.

De echte uitdaging voor de Belgische overheidsfinanciën ligt hoe dan ook op langere termijn, m.n. in de veroudering van de bevolking en de daarmee gepaard gaande kosten.

Ondanks het feit dat die uitdaging al zo'n 20 jaar gekend is, is België er nog lang niet op voorbereid. Volgens de Europese Commissie zal de vergrijzing de overheidsuitgaven tegen 2060 9,1% van het BBP hoger duwen (de Studiecommissie voor de vergrijzing raamt de extra uitgaven op 6,1%).

Binnen de eurozone staan enkel Luxemburg en Slovenië voor een grotere opgave, het euro-gemiddelde ligt op 4,1%. In euro's van vandaag komen de extra uitgaven in België neer op 35 mrd (23 mrd volgens de Studiecommissie van de vergrijzing).

Ter vergelijking, de totale uitgaven van de gemeenten en provincies bedroegen in 2011 26 mrd, de totale overheidsuitgaven voor onderwijs 23 mrd, die voor gezondheidszorg 29 mrd.

Die cijfers zouden duidelijk moeten maken dat het opvangen van de vergrijzingskosten een gigantische opgave wordt.

Eind jaren 70 liet de regering de situatie volledig uit de hand lopen. Daarna werd doorheen de jaren 80 en 90 een spectaculaire saneringsinspanning afgewerkt. Vanaf 2000 werd helaas de opgebouwde buffer terug opgesoupeerd. Tegen die achtergrond dienen de begrotingsdoelstellingen om de regering een zekere discipline op te leggen, maar economisch hebben die op zich weinig waarde. Met de Belgische overheidsfinanciën zit het op korte termijn vrij goed. Het nipt missen van de doelstelling verandert daar weinig of niks aan. Het primaire saldo (d.i. het totale saldo exclusief de rentelasten), wat de meest relevante factor is voor de dynamiek van de overheidsschuld, is vandaag zo goed als in evenwicht. Met zo'n 100% van het BBP is de overheidsschuld vrij hoog, maar belangrijker, die schuld is redelijk stabiel. De echte uitdaging voor de Belgische overheidsfinanciën ligt hoe dan ook op langere termijn, m.n. in de veroudering van de bevolking en de daarmee gepaard gaande kosten. Ondanks het feit dat die uitdaging al zo'n 20 jaar gekend is, is België er nog lang niet op voorbereid. Volgens de Europese Commissie zal de vergrijzing de overheidsuitgaven tegen 2060 9,1% van het BBP hoger duwen (de Studiecommissie voor de vergrijzing raamt de extra uitgaven op 6,1%). Binnen de eurozone staan enkel Luxemburg en Slovenië voor een grotere opgave, het euro-gemiddelde ligt op 4,1%. In euro's van vandaag komen de extra uitgaven in België neer op 35 mrd (23 mrd volgens de Studiecommissie van de vergrijzing). Ter vergelijking, de totale uitgaven van de gemeenten en provincies bedroegen in 2011 26 mrd, de totale overheidsuitgaven voor onderwijs 23 mrd, die voor gezondheidszorg 29 mrd. Die cijfers zouden duidelijk moeten maken dat het opvangen van de vergrijzingskosten een gigantische opgave wordt.