A

Alfa. De eerste letter van het Griekse alfabet staat voor een bovengemiddelde prestatie. Als een fonds met Europese aandelen 13 procent winst maakt, terwijl de Europese beursindex 10 procent realiseert, dan heeft het fonds 3 procent alfa gegenereerd. Alfa wordt soms ook excess return genoemd.
...

Alfa. De eerste letter van het Griekse alfabet staat voor een bovengemiddelde prestatie. Als een fonds met Europese aandelen 13 procent winst maakt, terwijl de Europese beursindex 10 procent realiseert, dan heeft het fonds 3 procent alfa gegenereerd. Alfa wordt soms ook excess return genoemd. Alternatief beheer. Een algemene term om alles te omschrijven dat los staat van de evoluties op de markten. Er zijn bijvoorbeeld hedge funds, die met een hefboom zowel op een koersdaling als een koersstijging kunnen speculeren. Voor particulieren zijn funds of funds - fondsen die in andere fondsen beleggen - meestal de toegangspoort tot alternatief beheer. Benchmark. De referentie-index of een korf met aandelen waarmee u een fonds moet vergelijken. Een fonds met Amerikaanse aandelen kan zich bijvoorbeeld meten met de Amerikaanse S&P500-index. Als een fonds enkel in Amerikaanse technologieaandelen investeert, dan is een vergelijking met de Nasdaq100 meer gepast. Door de verkeerde benchmark te gebruiken, komt een fonds beter of slechter uit een vergelijking dan zou moeten. Bèta. De tweede letter van het Griekse alfabet wijst op de schommelingen van aandelen of een aandelenportefeuille ten opzichte van een referentie-index of de volledige beurs. Een vastgoedaandeel zoals Cofinimmo heeft bijvoorbeeld een bèta van 0,54, tegenover een bèta van 1 voor de volledige markt. Als de beurs 10 procent stijgt of zakt, beperkt Cofinimmo de beweging tot 5,4 procent. Die statistieken zijn voor alle duidelijkheid gemiddelden. Bèta staat in zekere zin synoniem voor risico. Flexibel gemengd fonds. De meeste fondsen hebben een afgebakend territorium om in te beleggen: Amerikaanse aandelen, farmasector, obligaties in euro, enzovoort. De beheerder kan niet zomaar alles verkopen en aan de zijlijn gaan staan als hij denkt dat er een beurscrash aan zit te komen. Het heeft een tijdje geduurd vooraleer er flexibele fondsen opdoken, die de ene keer voluit voor aandelen en de andere keer voluit voor obligaties kunnen gaan. De beheerder van zo'n fonds kan ingrijpen als de markten keren of de verwachtingen verslechteren of verbeteren, door aandelen/obligaties af te bouwen of op te bouwen. Kwantitatief beheer. Deze strategie beoogt het elimineren van subjectieve en emotionele verstoringen. Computers nemen in principe de beleggingsbeslissingen, louter op basis van zuiver economische en financiële parameters. Long-short. De klassieke beleggingsfondsen nemen enkel posities à la hausse in. Dat betekent aandelen kopen in de hoop ze later duurder te kunnen verkopen. Als fondsbeheerders vrezen dat bepaalde aandelen in de portefeuille zullen dalen, kunnen ze die aandelen verkopen. Met de ontwikkeling van afgeleide producten op aandelen, zoals opties en futures, is het gemakkelijker geworden portefeuilles in te dekken tegen een daling zonder de aandelen te verkopen. Het is tegelijk ook mogelijk geworden te speculeren tegen aandelen, door geleende aandelen te verkopen. Dat heet short selling. Een beheerder die positief is over een aandeel, maar vreest voor een algemene terugval van de sector, kan bijvoorbeeld aandelen van Volkswagen kopen en tegelijk een positie à la baisse nemen tegen de index van autobouwers. Dat is een klassiek voorbeeld van een een long-short-strategie. Open architectuur. Een bank met een open architectuur verkoopt niet alleen fondsen van eigen makelij, maar ook die van externe partijen. Bij banken zoals Keytrade Bank, MeDirect en Deutsche Bank staan fondsen van zeer veel vermogensbeheerders op het schap voor de gewone klanten. De meeste traditionele banken reserveren open architectuur vaak voor de meer vermogende en veeleisende klanten in private banking. Return. De opbrengst van een belegging: de dividenden, coupons, huurinkomsten en de waardestijging. Het totale rendement. Risico-return. Een mooie return is mooi, maar beleggers moeten zich ook bewust zijn van de genomen risico's. Is er niet te veel risico genomen? De verhouding tussen risico en rendement is een maatstaf op basis van de bèta-coëfficiënt van de aandelen in portefeuille. Als de aandelenportefeuille een bèta van 1,2 heeft, dan moet de beheerder een alfa van 2 procent realiseren. Dat wil zeggen dat de waarde van de portefeuille met 12 procent moet stijgen als de markt 10 procent klimt, om het risico te rechtvaardigen. Smart bèta. Deze strategie is in de mode in fondsenland. Het fonds kopieert een index, maar houdt geen rekening met de marktkapitalisatie van bedrijven. Het gewicht van de aandelen in een index hangt normaal gezien af van de grootte van het bedrijf, waardoor aandelen die overdreven gestegen zijn ook te zwaar zullen wegen in een portefeuille die blindelings de index kopieert. Met smart bèta zijn andere criteria doorslaggevend, zoals het gewicht van eigen vermogen, de hoogte van het dividend of de volatiliteit van aandelen . Stock picking. Dit betekent letterlijk de selectie van aandelen. Een stock picker is een beheerder die meteen aandelen uitkiest en niet eerst de geografische zones of sectoren bepaalt voor de aandelenselectie. Top-down. Met deze aanpak vertrekt de beheerder van macro-economische studies: wat zijn de groeivooruitzichten voor een regio of een sector? De beheerder zal eerst de grote lijnen uitzetten en kiezen welke regio's en sectoren meer gewicht verdienen in de portefeuille, en pas daarna op zoek gaan naar de beloftevolle aandelen uit een regio of sector. De omgekeerde aanpak heet bottom-up. Volatiliteit. Een maatstaf voor risico. De volatiliteit illustreert de afwijkingen in waarde van een fonds ten opzichte van de gemiddelde waarde. Een volatiliteit van 20 procent is bijvoorbeeld zeer veel. 10 procent is niet zo veel. Een fonds dat investeert in aandelen uit de groeilanden heeft al snel een volatiliteit van meer dan 20 procent, terwijl een obligatiefonds dat ingedekt is tegen wisselkoersrisico's misschien slechts een volatiliteit van amper 4 procent voorlegt.