Sommigen bekritiseren echter de kost voor de begroting en de impact op de CO2-uitstoot. Hoe het ook zij, een verlaagd BTW-tarief op elektriciteit zal de druk op de consumptieprijzen tijdelijk verlichten en via de automatische indexering de loongroei matigen.

Een andere kwestie is hernieuwbare energie, die sinds een aantal jaren massaal gesubsidieerd wordt via het systeem van groenestroomcertificaten. Door het grote succes ervan rijzen nu echter steeds meer vragen over de betaalbaarheid van de certificaten.

Er is dus tegenwoordig heel wat te doen rond de energiekost. De vraag stelt zich in hoeverre de geplande kernenergie-uitstap dit probleem nog zal verergeren.

De kernuitstap werd in 2003 beslist door de regering Verhofstadt I. De levensduur van alle zeven huidige kernreactoren in Doel en Tihange werd toen geplafonneerd op 40 jaar, wat erop neerkomt dat tegen 2025 alle centrales dicht moeten zijn.

Vorig jaar besloot de regering Di Rupo echter om de sluiting van reactor Tihange 1, die in 2015 dicht moest, met tien jaar uit te stellen om de energievoorziening niet in gevaar te brengen.

Kernenergie stond in 2010 nog steeds in voor 50,4% van de binnenlandse elektriciteitsproductie in België. Fossiele brandstoffen nemen het leeuwendeel van de resterende productie voor hun rekening. Duurzame alternatieven zijn goed voor amper 6,8% van de stroomproductie.

Daarom vroeg Economic.Poll@ING zich af wat de consument van de kernuitstap vindt. Bleek dat iets meer dan de helft van de respondenten (52%) tegenstander is van een kernuitstap.

De voorstanders bestaan uit twee groepen. 26% van de respondenten gelooft dat energie bij een sluiting van de kerncentrales op termijn goedkoper zal worden omdat wordt overgeschakeld naar hernieuwbare energie.2

2% wenst een kernuitstap om andere redenen dan de energieprijzen, wellicht omwille van de nadelen van kernenergie, zoals het veiligheidsrisico.

Deze groep is immers voorstander van een sluiting, zelfs als energie hierdoor duurder zou worden. Samen vormen de voorstanders van een uitstap net niet de helft van de respondenten.

Sommigen bekritiseren echter de kost voor de begroting en de impact op de CO2-uitstoot. Hoe het ook zij, een verlaagd BTW-tarief op elektriciteit zal de druk op de consumptieprijzen tijdelijk verlichten en via de automatische indexering de loongroei matigen. Een andere kwestie is hernieuwbare energie, die sinds een aantal jaren massaal gesubsidieerd wordt via het systeem van groenestroomcertificaten. Door het grote succes ervan rijzen nu echter steeds meer vragen over de betaalbaarheid van de certificaten. Er is dus tegenwoordig heel wat te doen rond de energiekost. De vraag stelt zich in hoeverre de geplande kernenergie-uitstap dit probleem nog zal verergeren. De kernuitstap werd in 2003 beslist door de regering Verhofstadt I. De levensduur van alle zeven huidige kernreactoren in Doel en Tihange werd toen geplafonneerd op 40 jaar, wat erop neerkomt dat tegen 2025 alle centrales dicht moeten zijn. Vorig jaar besloot de regering Di Rupo echter om de sluiting van reactor Tihange 1, die in 2015 dicht moest, met tien jaar uit te stellen om de energievoorziening niet in gevaar te brengen. Kernenergie stond in 2010 nog steeds in voor 50,4% van de binnenlandse elektriciteitsproductie in België. Fossiele brandstoffen nemen het leeuwendeel van de resterende productie voor hun rekening. Duurzame alternatieven zijn goed voor amper 6,8% van de stroomproductie. Daarom vroeg Economic.Poll@ING zich af wat de consument van de kernuitstap vindt. Bleek dat iets meer dan de helft van de respondenten (52%) tegenstander is van een kernuitstap. De voorstanders bestaan uit twee groepen. 26% van de respondenten gelooft dat energie bij een sluiting van de kerncentrales op termijn goedkoper zal worden omdat wordt overgeschakeld naar hernieuwbare energie.2 2% wenst een kernuitstap om andere redenen dan de energieprijzen, wellicht omwille van de nadelen van kernenergie, zoals het veiligheidsrisico. Deze groep is immers voorstander van een sluiting, zelfs als energie hierdoor duurder zou worden. Samen vormen de voorstanders van een uitstap net niet de helft van de respondenten.