Enkele weken geleden viel ons een persbericht op over een onderzoek van het Nederlandse onlinemarketingplatform SEMrush naar de aandelenvoorkeur van investeerders in verschillende Europese landen. Zeer opmerkelijk is dat die voorkeur bij zowat 70 procent van de Europese investeerders niet bleek uit te gaan naar lokale aandelen, maar naar Amerikaanse aandelen. Enkel in de grote Europese landen, zoals Duitsland, Frankrijk, Spanje en Italië, overheerst nog de nationale reflex en belegt men nog in de eerste plaats in de nationale trots.
...

Enkele weken geleden viel ons een persbericht op over een onderzoek van het Nederlandse onlinemarketingplatform SEMrush naar de aandelenvoorkeur van investeerders in verschillende Europese landen. Zeer opmerkelijk is dat die voorkeur bij zowat 70 procent van de Europese investeerders niet bleek uit te gaan naar lokale aandelen, maar naar Amerikaanse aandelen. Enkel in de grote Europese landen, zoals Duitsland, Frankrijk, Spanje en Italië, overheerst nog de nationale reflex en belegt men nog in de eerste plaats in de nationale trots. In haast alle andere Europese landen - vooral de kleine - is de voorkeur verschoven naar de Amerikaanse sterwaarden. Ook de Belgische belegger prefereert volgens dat onderzoek Amerikaanse aandelen boven Belgische waarden. Op het eerste gezicht is dat niet zo onzinnig. Van de grootste tien beursgenoteerde bedrijven in de wereld zijn er acht van Amerikaanse origine, en van de grootste 50 moeten er dat zowat 35 zijn. In die zin is de interesse voor grote, succesvolle namen begrijpelijk. Een andere vaststelling is dat de prestaties in het recente verleden nog steeds het meest bepalend zijn voor keuze van aandelen waarin we in de nabije toekomst beleggen. Het is natuurlijk overduidelijk dat de Europese aandelenmarkten in het afgelopen decennium volledig de rol hebben moeten lossen ten aanzien van de Amerikaanse aandelenmarkten. Al te vaak de voorbije tien jaar werd de opwaartse tendens onderbroken door een of andere crisissituatie, met uiteraard de eurocrisis als belangrijkste. Maar ook de brexit, de Italiaanse verkiezingen enzovoort deden Europese beleggers al te vaak op de verkoopdruk duwen. In 2011 noteerde de Eurostoxx50-index al rond 3000 punten. In die buurt hangen we nog steeds na het bijzonder zwakke laatste kwartaal van 2018 en ondanks een voortvarende start van het jaar. De top van de Europese beurzen dateert van voorjaar van 2015. De historische piek voor de Eurostoxx50-index ligt nog altijd in maart 2000 in de buurt van 5500 punten. We staan daar nu ruim 40 procent onder. Al bijna vier jaar hebben we dus geen nieuwe top meer bereikt. Logisch dat we reikhalzend naar de beurs van New York kijken, waar de historische top van de Standard&Poor's500 net geen vier maanden geleden werd gevormd. We staan er nu minder dan 10 procent onder. Ten opzichte van de top uit 2000 noteren we nu circa 90 procent hoger. We mogen de lokale waarden evenwel absoluut niet afschrijven. Ook hier zijn beurskampioenen te vinden. Kinepolis, Lotus Bakeries en Melexis zijn maar drie van de bedrijven die hun aandeelhouders op lange(re) termijn heel veel vreugde hebben bezorgd. Niet alleen de Amerikaanse techgiganten kunnen overigens op korte termijn furore maken en spectaculaire koersstijgingen neerzetten. Dat kunnen de lokale biotechbedrijven ook. Argenx, Galapagos en Mithra Pharmaceuticals waren enkele jaren amper enkele honderden miljoenen waard op de beurs, maar hun beurswaarden zijn intussen opgelopen tot een of enkele miljarden.