De Turkse lira is dit jaar al met 40 procent gedaald tegenover de dollar. In augustus maakte de munt een spectaculaire duik, na een diplomatieke rel met de Verenigde Staten. Het is niet het enige probleem van Turkije. De inflatie in het land bedraagt bijna 18 procent en president Recep Tayyip Erdogan zet de centrale bank onder druk om de rentevoeten laag te houden.

Desondanks besliste de centrale bank op 13 september de beleidsrente met 6,25 procentpunt op te trekken, naar 24 procent. Daarmee wierpen de centrale bankiers de lira een reddingsboei toe.

De economie waarover Erdogan de plak zwaait, is verwikkeld in een strijd op leven en dood. De groei vertraagt scherp. Het bruto binnenlands product (bbp) zal in de laatste maanden van 2018 wellicht zelfs krimpen. Het krediet dat de groei heeft aangedreven - grotendeels afkomstig uit het buitenland - droogt op. Ook Belgische beleggers zeggen Turkije de wacht aan (zie kader De Belgen en de Turkse lira).

Vervallende leningen

Zo'n onverwachte stilstand van de economie betekent meestal dat alarmbellen afgaan voor de banken. De Turkse banken zijn, alles in acht genomen, in goede conditie. Ze hebben voldoende kapitaalbuffers om tegenslagen op te vangen. Ze hebben liquiditeit in overvloed. De rentemarges van ongeveer 4 procent zijn hoog genoeg om hogere financieringskosten de baas te kunnen.

Maar de beleggers zijn er niet gerust in. De beursgenoteerde Turkse banken zijn dit jaar meer dan 40 procent van hun beurswaarde kwijt. De aandelen van westerse banken met belangen in Turkije, zoals BBVA uit Spanje en UniCredit uit Italië, zitten ook in de hoek waar de klappen vallen.

Door de val van de lira zijn schulden een pak duurder geworden.

Of de Turkse banken echt in de problemen komen en hoe zwaar die problemen worden, hangt af van twee factoren. De eerste factor is de bereidheid van buitenlandse geldschieters om financiering te blijven verstrekken. Zo'n 100 miljard dollar van de buitenlandse schuld van de banken vervalt binnen een jaar. Iets meer dan 20 miljard dollar aan leningen moet tegen het einde van 2018 terugbetaald of verlengd zijn.

De tweede factor is de terugbetalingscapaciteit van de Turkse bedrijven. Zij hebben vele jaren tegen lage rentes leningen kunnen afsluiten in euro en dollar. De kosten van leningen zijn in de tweede helft van dit jaar verdubbeld. De kans is klein dat de banken in staat zijn alle vervallende leningen te verlengen. Maar ze hebben meer dan genoeg liquiditeit om het tekort op te vangen. En de kans is klein dat de buitenlandse kredietverleners met wie ze al lang zakendoen, hun samenwerkingen opblazen.

Tijd gewonnen

Een andere vraag is hoeveel van de schulden die de Turkse bedrijven bij hen gemaakt hebben, probleemkredieten worden. Door de val van de lira zijn die schulden een pak duurder geworden. Natuurlijk kunnen sommige leningnemers buitenlandse valuta verdienen. Sommige projectontwikkelaars van winkelcentra verplichten de handelaars bijvoorbeeld hun huur in dollar te betalen.

Voorlopig bedraagt het aantal probleemkredieten bij de banken slechts 3 procent, wat te verwaarlozen is in vergelijking met Griekenland of Italië. Bij staatsbanken blijken de cijfers lager te liggen dan bij privégeldschieters, en dat kan misleidend zijn. Staatsbanken waren toeschietelijker om geld te lenen aan kleine bedrijven dankzij het kredietgarantiefonds van de overheid, een systeem waarmee de economie op kruissnelheid moest blijven. Het ziet ernaar uit dat het percentage wanbetalingen zal stijgen.

De toezichthouders hebben wat tijd gewonnen voor de banken. Ze hebben de regels rond probleemkredieten versoepeld en de herwaardering van schulden in buitenlandse valuta uitgesteld, anders had de kapitaalratio van de banken een forse knauw gekregen. Sinds de Amerikaanse Federal Reserve in 2014 de kredietkraan begon dicht te draaien, zijn de dagen van extreem goedkoop geld op de groeimarkten geteld. In plaats van die trend en een geleidelijke vertraging van de economie te aanvaarden, loopt Erdogan nu het gevaar met Turkije op een muur te botsen. Hij heeft misschien de regels van de Turkse politiek weten te veranderen, met de wetten van de economie zal dat niet lukken.

De Belgen en de Turkse lira

Obligaties in Turkse lira zijn sinds jaar en dag populair bij Belgische beleggers. Vooral sinds de invoering van de euro zijn Belgische beleggers een stukje van hun vermogen beginnen te investeren in obligaties in andere munten, zoals de Noorse kroon en de Turkse lira.

"We hebben de voorbije maanden veel klanten zien uitstappen", zegt Alex Goldwasser van het gelijknamige beurshuis. De Turkse lira is na de Argentijnse peso de munt die dit jaar het meest onderuit is gegaan. Goldwasser zegt dat in veel portefeuilles nog restjes van obligaties zaten, uitgegeven door de meest kredietwaardige bedrijven en instellingen (AAA) in Turkse lira.

"De voorbije twintig jaar is die munt zwaar onderuitgegaan. Er heeft altijd een hoge coupon gehangen aan obligaties in Turkse lira, door de hoge inflatie. Die hoge coupons hebben niet kunnen verhinderen dat de beleggers verliezen leden", weet Goldwasser. De Turkse lira heeft sinds 1998 bijna 97 procent van zijn waarde ten opzichte van de euro verloren.

"Het minste wat je kan zeggen, is dat obligaties in Turkse lira speculatief zijn. Tegenover het risico staat nu wel een fatsoenlijke vergoeding. De Wereldbank heeft net een obligatie uitgegeven met een coupon van 25,5 procent, die in 2020 afloopt", zegt Goldwasser. Hij voegt eraan toe dat Belgische beleggers die obligatie beter niet kopen, omdat ze 30 procent roerende voorheffing moeten betalen op de coupon.

"Dan is het beter obligaties in Turkse lira met een kleinere coupon te kopen, die 20 of 30 procent onder hun nominale waarde noteren op de secundaire markt", vindt Goldwasser. Het verschil tussen de aankoopprijs met een korting en de terugbetaling op de vervaldag is vrij van belastingen.

Een andere mogelijkheid is obligaties in euro of in dollar te kopen, uitgegeven door de Turkse overheid of Turkse bedrijven. "Ook die geven vaak een mooi rendement. Je neemt het wisselkoersrisico niet, maar natuurlijk wel het risico op een faillissement van het land of het bedrijf."

Bron: The Economist