Liefst 32 procent van het vermogen van de Belgen bestaat uit liquide middelen: geld op een zicht- of spaarrekening of baar geld. Het gaat om 429 miljard euro, ofwel 37.500 euro per Belg. "Het aandeel van de liquide middelen in het financiële vermogen is historisch hoog", zegt Charlotte de Montpellier, econome van ING.
...

Liefst 32 procent van het vermogen van de Belgen bestaat uit liquide middelen: geld op een zicht- of spaarrekening of baar geld. Het gaat om 429 miljard euro, ofwel 37.500 euro per Belg. "Het aandeel van de liquide middelen in het financiële vermogen is historisch hoog", zegt Charlotte de Montpellier, econome van ING. In de jaren 90 belegden de Belgen nog 45 procent van hun vermogen in aandelen, obligaties of beleggingsfondsen. In het eerste kwartaal zakte het aandeel van die beleggingen tot 23 procent. Dat is uitsluitend te wijten aan de volledige desinteresse voor obligaties, nu de rente ultralaag is. Vandaag maken zulke vastrentende beleggingen minder dan 5 procent van het vermogen van de Belgen uit, terwijl ze aan het begin van de jaren 90 nog goed waren voor bijna een derde van het vermogen.Het grootste deel van die liquide middelen - 305 miljard euro - staat op spaarrekeningen. Per Belg komt dat neer op 26.700 euro. Dat is problematisch, want bij een inflatie van 2 procent wordt geld op een spaarboekje met de wettelijke minimumrente van 0,11 procent steeds minder waard. Na 20 jaar is 10.000 euro in nominale termen 10.220 euro waard en in reële termen 6.828 euro. Anders gezegd: met 10.220 euro kan je binnen 20 jaar evenveel producten en diensten kopen als je vandaag met 6.828 euro kan kopen, berekende De Montpellier.Het percentage van de spaarrekeningen in het vermogen blijft wel relatief stabiel in de tijd en schommelt tussen 20 à 25 procent van het financieel vermogen. In het eerste kwartaal van 2019 ging het om 22,5 procent van het financieel vermogen.Nog problematischer is dat een groot deel van het geld dat op een zichtrekening belandt, niet meer wordt overgeschreven naar de spaarrekening. Soms belandt het geld niet eens meer op die zichtrekening, omdat de Belgen het liever cash in de hand houden.Op een zichtrekening brengt spaargeld niet eens 0,11 procent op, maar 0 procent. "In het eerste kwartaal stond er 85 miljard op zichtrekeningen, of 7.400 euro per Belg, hetzij 20 procent van de liquide middelen van de Belgische gezinnen en 6,3 procent van hun financieel vermogen", zegt De Montpellier. "In 1995 was dat nog maar 3 procent van het financieel vermogen.""De Belgische gezinnen worden almaar voorzichter", verklaart De Montpellier. "Ze willen ook een groter deel van hun vermogen in cash aanhouden, om onvoorziene uitgaven aan te kunnen, omdat ze bang zijn voor de risico's van beleggingen op de financiële markten en omdat obligaties geen alternatief meer zijn voor cash door de lage rente."Het onroerende vermogen van de Belgen is sinds 2001 groter dan het financiële vermogen. "In de jaren 90 was het onroerende vermogen goed voor minder dan 50 procent van het totale vermogen van de Belgen. Sindsdien is dit percentage geleidelijk gestegen en in 2018 maakte het vastgoedpatrimonium van de Belgen al 60 procent van hun nettovermogen uit", merkt De Montpellier op. Om het nettovermogen te berekenen, moeten we de schulden aftrekken van het totale vermogen.De schaduwzijde is dat de schulden aangegaan om vastgoed te kopen ook in de lift zitten. Die schuldenlast is in het eerste kwartaal met 4,4 procent gestegen tegenover een jaar eerder, tot 294 miljard euro, ofwel 59.300 per Belg. De overgrote meerderheid of 81 procent van die schulden zijn hypothecaire leningen en dat aandeel stijgt almaar. "Dat is niet zo verwonderlijk aangezien de rente op hypothecaire kredieten historisch laag is", vindt De Montpellier. Ze waarschuwt wel dat de schuldenlast van de gezinnen zal blijven stijgen als de politiek of de toezichthouders van de banken geen maatregelen nemen.Vandaag liet de Nationale Bank toevallig weten dat ze afspraken gaat maken met de banksector om de verstrekking van hypothecaire kredieten te beteugelen. De toezichthouder spoorde de banken al eerder aan tot voorzichtigheid, maar dat remde tot nu toe de aangroei van de hypothecaire schuldenberg nauwelijks.