Zo kan cyclische werkloosheid die is ontstaan door een begrotingsconsolidatie structureel worden, waardoor het groeipotentieel van de economie op langere termijn wordt aangetast.

Dat belastingverhogingen en besparingen via een vermindering van de vraag en productie leiden tot lagere groei vormt de hoeksteen van het Keynesiaanse denken.

De doctrine gaat echter voorbij aan het feit dat economische agenten hun gedrag aanpassen aan de gewijzigde omgeving, waardoor multiplicatoren er anders kunnen uitzien dan a priori verwacht.

Zo zullen financiële markten zich door de bezuinigingen minder zorgen maken over de kredietwaardigheid van de overheid.

Hierdoor treedt een positief effect van lagere kapitaalmarktrentes op, waardoor multiplicatoren (ceteris paribus) lager liggen. Ook kunnen 'crowding out'-effecten plaatsvinden (bv. lagere overheidsuitgaven die leiden tot meer private uitgaven).

Het meest gekende niet-Keynesiaanse effect volgt uit de theorie van de 'Ricardiaanse equivalentie'. Die houdt in dat gezinnen meer vertrouwen krijgen als de overheid haar schuld afbouwt, omdat het de toekomstige fiscale druk verlicht.

Gezinnen zullen minder sparen en meer uitgeven wanneer de overheid spaarzamer wordt.

Het effect zou meer spelen in landen met een hoge overheidsschuld en eveneens hoge gezinsspaarquote. Bezuinigingen zouden in zo'n context zelfs een expansief groei-effect kunnen hebben.

Zo kan cyclische werkloosheid die is ontstaan door een begrotingsconsolidatie structureel worden, waardoor het groeipotentieel van de economie op langere termijn wordt aangetast. Dat belastingverhogingen en besparingen via een vermindering van de vraag en productie leiden tot lagere groei vormt de hoeksteen van het Keynesiaanse denken. De doctrine gaat echter voorbij aan het feit dat economische agenten hun gedrag aanpassen aan de gewijzigde omgeving, waardoor multiplicatoren er anders kunnen uitzien dan a priori verwacht. Zo zullen financiële markten zich door de bezuinigingen minder zorgen maken over de kredietwaardigheid van de overheid. Hierdoor treedt een positief effect van lagere kapitaalmarktrentes op, waardoor multiplicatoren (ceteris paribus) lager liggen. Ook kunnen 'crowding out'-effecten plaatsvinden (bv. lagere overheidsuitgaven die leiden tot meer private uitgaven). Het meest gekende niet-Keynesiaanse effect volgt uit de theorie van de 'Ricardiaanse equivalentie'. Die houdt in dat gezinnen meer vertrouwen krijgen als de overheid haar schuld afbouwt, omdat het de toekomstige fiscale druk verlicht. Gezinnen zullen minder sparen en meer uitgeven wanneer de overheid spaarzamer wordt. Het effect zou meer spelen in landen met een hoge overheidsschuld en eveneens hoge gezinsspaarquote. Bezuinigingen zouden in zo'n context zelfs een expansief groei-effect kunnen hebben.