Carmignac adviseert echter om niet te enthousiast worden. De economische groei schommelt namelijk maar rond de 2%, maar in vergelijking met een potentiële groei op middellange termijn van 0,6% tot 0,8% in de eurozone is dat een knappe prestatie, te meer daar een dergelijk groeicijfer het begrotingstekort en het schuldprobleem in een ander daglicht stelt.

Sinds het herstel in 2009 inzette, werd de Amerikaanse groei vooral aangedreven door de bedrijfswinsten (de bedrijven hebben snel geherstructureerd en werven nu personeel), investeringen (door fiscale prikkels, die node worden gemist in de eurozone) en de export (de concurrentiepositie van het land is verbeterd door een daling van de dollar met 10 tot 15% tegenover de

belangrijkste valuta's sinds het begin van de crisis).

Het economische herstel is dus geenszins gebaseerd op een buitensporige stijging van activa, zoals vastgoed of aandelen.

Ben Bernanke, die in academische kringen zijn sporen heeft verdiend met zijn onderzoek naar de crisis van 1929 en het effect van de vroegtijdige verhoging van de rente toen het herstel was ingezet, houdt de mogelijkheid van een nieuwe ronde "kwantitatieve versoepeling" open. Hij zal er dus voor zorgen dat voldoende liquiditeiten beschikbaar zijn en zal alle delen van de rentecurve blijven manipuleren.

Hoelang nog?, zo vraagt Carmignac zich af. Blijkbaar zolang de geen duidelijke tekenen van herstel vertoont. Wat dit laatste punt betreft, hoeven we niet overdreven pessimistisch te zijn. In bepaalde staten gaan de prijzen namelijk weer in stijgende lijn.

Bovendien stemt de daling sinds 2006 overeen met het gemiddelde van de grote cycli van de sector en verkeert de Amerikaanse bankensector in betere gezondheid dan de Europese.

Een laatste niet onbelangrijk punt voor de Amerikaanse economie is dat de Verenigde Staten voor hun energievoorziening in snel tempo minder afhankelijk worden van andere landen, wat het land over enkele jaren een extra duw in de rug zal geven. De VS beschikken immers over aanzienlijke voorraden schaliegas, die bijna even groot zijn als die van China.

Carmignac adviseert echter om niet te enthousiast worden. De economische groei schommelt namelijk maar rond de 2%, maar in vergelijking met een potentiële groei op middellange termijn van 0,6% tot 0,8% in de eurozone is dat een knappe prestatie, te meer daar een dergelijk groeicijfer het begrotingstekort en het schuldprobleem in een ander daglicht stelt. Sinds het herstel in 2009 inzette, werd de Amerikaanse groei vooral aangedreven door de bedrijfswinsten (de bedrijven hebben snel geherstructureerd en werven nu personeel), investeringen (door fiscale prikkels, die node worden gemist in de eurozone) en de export (de concurrentiepositie van het land is verbeterd door een daling van de dollar met 10 tot 15% tegenover de belangrijkste valuta's sinds het begin van de crisis). Het economische herstel is dus geenszins gebaseerd op een buitensporige stijging van activa, zoals vastgoed of aandelen. Ben Bernanke, die in academische kringen zijn sporen heeft verdiend met zijn onderzoek naar de crisis van 1929 en het effect van de vroegtijdige verhoging van de rente toen het herstel was ingezet, houdt de mogelijkheid van een nieuwe ronde "kwantitatieve versoepeling" open. Hij zal er dus voor zorgen dat voldoende liquiditeiten beschikbaar zijn en zal alle delen van de rentecurve blijven manipuleren. Hoelang nog?, zo vraagt Carmignac zich af. Blijkbaar zolang de geen duidelijke tekenen van herstel vertoont. Wat dit laatste punt betreft, hoeven we niet overdreven pessimistisch te zijn. In bepaalde staten gaan de prijzen namelijk weer in stijgende lijn. Bovendien stemt de daling sinds 2006 overeen met het gemiddelde van de grote cycli van de sector en verkeert de Amerikaanse bankensector in betere gezondheid dan de Europese. Een laatste niet onbelangrijk punt voor de Amerikaanse economie is dat de Verenigde Staten voor hun energievoorziening in snel tempo minder afhankelijk worden van andere landen, wat het land over enkele jaren een extra duw in de rug zal geven. De VS beschikken immers over aanzienlijke voorraden schaliegas, die bijna even groot zijn als die van China.