Algemeen tarief 25%

Vanaf 1 januari 2013 is de beleggingsfiscaliteit kinderlijk eenvoudig geworden. Er is met name één tarief van roerende voorheffing, namelijk 25%, of je nu een dividend of een interest ontvangt. Zeker voor dividenden, inkoopboni en liquidatieboni is dat tarief gewoon té hoog.

Daarmee hebben we het annus horribilis 2012 voor de beleggingsfiscaliteit definitief achter ons gelaten. We kenden dat jaar het tarief van 10%, 15%, 21%, 21 + 4% en 25%. Met die tarieven worden alle Belgen nog slechts eenmaal geconfronteerd bij de komende indiening van hun aangifte personenbelasting. Hier zal elke belastingplichtige ofwel een vakje moeten aankruisen dat hij geen inkomsten heeft verdiend waar de extra 4% rijkentaks voor verschuldigd is ofwel moet de belastingplichtige al zijn roerende inkomsten aangeven, zelfs die inkomsten die reeds roerende voorheffing hebben ondergaan.

Uitzonderingen

Maar politici kunnen het niet laten om toch weer uitzonderingen te voorzien. Ondanks het feit dat het nu de gedroomde gelegenheid was om echt te uniformiseren, is deze kans niet gegrepen. De enige te verantwoorden afwijking is overigens bij de laatste begrotingscontrole gesneuveld. Dit waren de liquidatieboni waar het tarief nu ook op 25% is bepaald. Er geldt wel een overgangsperiode tot 1 oktober 2014. Tot die tijd zouden ondernemers hun vennootschap nog kunnen liquideren aan 10%.

De rest van de uitzonderingen zijn minder te verantwoorden. Het betreft met name dividenden van residentiële vastgoedbevaks. Dit zijn vennootschappen die in de Europese Economische Ruimte voornamelijk (80%) investeren in woningen. Er zijn voorlopig slechts drie vennootschappen die hieraan beantwoorden (Aedifica, Home Invest Belgium en Serviceflats Invest). Voor deze vennootschappen geldt een verlaagd tarief van roerende voorheffing van 15%. De vraag rijst of je voor zo'n marginaal verschijnsel uitzonderingswetgeving moet voorzien.

Andere uitzonderingen zijn de interesten verbonden aan de fameuze Leterme staatsbon die onderworpen zijn aan 15% roerende voorheffing. Tot slot zijn er de onvermijdelijke spaarboekjes. In de mate dat men meer interesten ontvangt dan het jaarlijks vrijgesteld bedrag van 1880 euro, is het surplus maar belast aan 15%. Het is onduidelijk waarom deze uitzonderingen zijn voorzien.

En zo zie je dat een algemeen tarief blijkbaar altijd uitzonderingen ondergaat. Aangezien het bon ton is om via de belastingen het gedrag van de burgers te sturen, mag je er zeker van zijn dat de lijst van uitzonderingen nog zal verlengen. Zo staan er nu reeds twee nieuwe verminderingen van roerende voorheffing in de steigers. Dat betreft enerzijds de volkslening en anderzijds de dividenden verbonden aan nieuwe kapitaalverhogingen in geld in een KMO. In de beide gevallen zou een tarief van 15% roerende voorheffing van toepassing zijn. Volg de discussie mee op Twitter via @Anton_Rivus.

Anton van Zantbeek

Advocaat Rivus

Algemeen tarief 25%Vanaf 1 januari 2013 is de beleggingsfiscaliteit kinderlijk eenvoudig geworden. Er is met name één tarief van roerende voorheffing, namelijk 25%, of je nu een dividend of een interest ontvangt. Zeker voor dividenden, inkoopboni en liquidatieboni is dat tarief gewoon té hoog. Daarmee hebben we het annus horribilis 2012 voor de beleggingsfiscaliteit definitief achter ons gelaten. We kenden dat jaar het tarief van 10%, 15%, 21%, 21 + 4% en 25%. Met die tarieven worden alle Belgen nog slechts eenmaal geconfronteerd bij de komende indiening van hun aangifte personenbelasting. Hier zal elke belastingplichtige ofwel een vakje moeten aankruisen dat hij geen inkomsten heeft verdiend waar de extra 4% rijkentaks voor verschuldigd is ofwel moet de belastingplichtige al zijn roerende inkomsten aangeven, zelfs die inkomsten die reeds roerende voorheffing hebben ondergaan.UitzonderingenMaar politici kunnen het niet laten om toch weer uitzonderingen te voorzien. Ondanks het feit dat het nu de gedroomde gelegenheid was om echt te uniformiseren, is deze kans niet gegrepen. De enige te verantwoorden afwijking is overigens bij de laatste begrotingscontrole gesneuveld. Dit waren de liquidatieboni waar het tarief nu ook op 25% is bepaald. Er geldt wel een overgangsperiode tot 1 oktober 2014. Tot die tijd zouden ondernemers hun vennootschap nog kunnen liquideren aan 10%. De rest van de uitzonderingen zijn minder te verantwoorden. Het betreft met name dividenden van residentiële vastgoedbevaks. Dit zijn vennootschappen die in de Europese Economische Ruimte voornamelijk (80%) investeren in woningen. Er zijn voorlopig slechts drie vennootschappen die hieraan beantwoorden (Aedifica, Home Invest Belgium en Serviceflats Invest). Voor deze vennootschappen geldt een verlaagd tarief van roerende voorheffing van 15%. De vraag rijst of je voor zo'n marginaal verschijnsel uitzonderingswetgeving moet voorzien.Andere uitzonderingen zijn de interesten verbonden aan de fameuze Leterme staatsbon die onderworpen zijn aan 15% roerende voorheffing. Tot slot zijn er de onvermijdelijke spaarboekjes. In de mate dat men meer interesten ontvangt dan het jaarlijks vrijgesteld bedrag van 1880 euro, is het surplus maar belast aan 15%. Het is onduidelijk waarom deze uitzonderingen zijn voorzien. En zo zie je dat een algemeen tarief blijkbaar altijd uitzonderingen ondergaat. Aangezien het bon ton is om via de belastingen het gedrag van de burgers te sturen, mag je er zeker van zijn dat de lijst van uitzonderingen nog zal verlengen. Zo staan er nu reeds twee nieuwe verminderingen van roerende voorheffing in de steigers. Dat betreft enerzijds de volkslening en anderzijds de dividenden verbonden aan nieuwe kapitaalverhogingen in geld in een KMO. In de beide gevallen zou een tarief van 15% roerende voorheffing van toepassing zijn. Volg de discussie mee op Twitter via @Anton_Rivus. Anton van ZantbeekAdvocaat Rivus