Aandelen zijn een goede langetermijnbelegging, zo wil het cliché. Over uiterst lange periodes is dat ongetwijfeld het geval. Tussen 1900 en eind 2020 brachten aandelen jaarlijks gemiddeld 4,4 procent per jaar meer op dan cash en 3,1 procent meer dan obligaties. Over lange periodes deinen de verschillen exponentieel uit. Maar enkel Jeanne Calment had een beleggingshorizon van 120 jaar. Wanneer we inzoomen op wat minder lange periodes, twintig à dertig jaar, en op de regionale prestaties, krijgen we een heel gemengd beeld.

De Amerikaanse beurs reeg de afgelopen twintig jaar de records aan elkaar. De S&P500-index is sinds 2007, op de top van wat toen nog een zeepbel was, meer dan verdubbeld. Sinds 2000 is de Amerikaanse beurs zelfs bijna verdriedubbeld. En dan rekenen we de dividenden nog niet mee. Amerikaanse aandelen bevestigen het cliché. Maar de Japanse beurs noteert nog altijd een kwart onder de piek van het jaar 1990. Ook de meeste Europese beurzen brengen het er belabberd van af. De Eurostoxx50-index brak onlangs weer door de 4000 puntengrens, maar blijft daarmee net onder het niveau van 2007 en nog altijd een kwart onder het recordniveau van 2000, ook weliswaar zonder dividenden mee te rekenen. Met andere woorden: de voorbije twee decennia is Europa er gemiddeld niet in geslaagd enige beurswaarde te creëren. Gemiddelden zeggen natuurlijk niet alles, zei de vrouw van de jager die gemiddeld een konijn had geschoten door er één keer een meter links en één keer een meter rechts naast te schieten. Een positieve uitschieter was de Duitse beurs, die er sinds 2000 in slaagde te verdubbelen. De Bel-20-index vertoont een gemengd beeld. De Bel-20 beweegt zich al enige tijd boven zijn niveau van 2000, maar is er nog niet in geslaagd te klimmen boven de piek van 2007. Aandelen een goede belegging? Veel hangt af van de regio waarin je belegt.

Aandelen een goede belegging? Veel hangt af van de regio waarin je belegt.

Sommige beleggers, zowel particuliere als institutionele, geven blijk van een home bias. Ze blijven liever dicht bij huis. En de meeste mensen zijn tot op zekere hoogte patriottisch, zoals het alomtegenwoordige Europees Kampioenschap voetbal weer eens aantoont. Ze blijven hardnekkig de voorkeur geven aan Europese aandelen. Hoe vaak hebben we de voorbije jaren niet gehoord dat Europese aandelen de Amerikaanse de loef zullen afsteken? De kans dat dit de volgende twintig jaar zal gebeuren, is echter klein. Beursprestaties worden gedreven door winstgroei. Winstgroei wordt gedreven door economische groei. En economische groei wordt gedreven door de groei van de werkende bevolking en productiviteitswinsten. En daar blijft het Europese schoentje wringen. De komende dertig jaar zal de Europese arbeidsbevolking dalen van 280 naar 230 miljoen, terwijl de Amerikaanse op peil blijft. The Lancet rekent voor dat de Italiaanse en de Spaanse bevolking deze eeuw zal halveren. Waar geen mensen zijn, kan geen economische groei zijn. Europa is evengoed als Amerika intellectueel in staat tot innovatie, maar kapselt het innovatiepotentieel in door overregulering en door zwak bestuur. Door deze kopwind kijkt Europa aan tegen een gemiddelde economische groei die de komende dertig jaar met bijna mathematische zekerheid onder 1 procent zal blijven. Amerikaanse aandelen blijven de betere keuze en zouden in een beleggingsportefeuille minstens hun gewicht in de totale beurswaarde moeten krijgen. Vandaag vertegenwoordigen ze niet minder dan tweetermen van de wereldbeurs (zonder opkomende markten, met inbegrip van opkomende markten nog steeds 58%). De beurs van de eurozone vertegenwoordigt een weinig indrukwekkende 10 procent.

Wie belegt in Europa, moet daarenboven heel selectief zijn. Elk Europees land, hoe zwak de economie ook mag zijn, heeft wel een paar potentiële beurskampioenen. Het is aan de stockpickers om ze te vinden.

Aandelen zijn een goede langetermijnbelegging, zo wil het cliché. Over uiterst lange periodes is dat ongetwijfeld het geval. Tussen 1900 en eind 2020 brachten aandelen jaarlijks gemiddeld 4,4 procent per jaar meer op dan cash en 3,1 procent meer dan obligaties. Over lange periodes deinen de verschillen exponentieel uit. Maar enkel Jeanne Calment had een beleggingshorizon van 120 jaar. Wanneer we inzoomen op wat minder lange periodes, twintig à dertig jaar, en op de regionale prestaties, krijgen we een heel gemengd beeld. De Amerikaanse beurs reeg de afgelopen twintig jaar de records aan elkaar. De S&P500-index is sinds 2007, op de top van wat toen nog een zeepbel was, meer dan verdubbeld. Sinds 2000 is de Amerikaanse beurs zelfs bijna verdriedubbeld. En dan rekenen we de dividenden nog niet mee. Amerikaanse aandelen bevestigen het cliché. Maar de Japanse beurs noteert nog altijd een kwart onder de piek van het jaar 1990. Ook de meeste Europese beurzen brengen het er belabberd van af. De Eurostoxx50-index brak onlangs weer door de 4000 puntengrens, maar blijft daarmee net onder het niveau van 2007 en nog altijd een kwart onder het recordniveau van 2000, ook weliswaar zonder dividenden mee te rekenen. Met andere woorden: de voorbije twee decennia is Europa er gemiddeld niet in geslaagd enige beurswaarde te creëren. Gemiddelden zeggen natuurlijk niet alles, zei de vrouw van de jager die gemiddeld een konijn had geschoten door er één keer een meter links en één keer een meter rechts naast te schieten. Een positieve uitschieter was de Duitse beurs, die er sinds 2000 in slaagde te verdubbelen. De Bel-20-index vertoont een gemengd beeld. De Bel-20 beweegt zich al enige tijd boven zijn niveau van 2000, maar is er nog niet in geslaagd te klimmen boven de piek van 2007. Aandelen een goede belegging? Veel hangt af van de regio waarin je belegt. Sommige beleggers, zowel particuliere als institutionele, geven blijk van een home bias. Ze blijven liever dicht bij huis. En de meeste mensen zijn tot op zekere hoogte patriottisch, zoals het alomtegenwoordige Europees Kampioenschap voetbal weer eens aantoont. Ze blijven hardnekkig de voorkeur geven aan Europese aandelen. Hoe vaak hebben we de voorbije jaren niet gehoord dat Europese aandelen de Amerikaanse de loef zullen afsteken? De kans dat dit de volgende twintig jaar zal gebeuren, is echter klein. Beursprestaties worden gedreven door winstgroei. Winstgroei wordt gedreven door economische groei. En economische groei wordt gedreven door de groei van de werkende bevolking en productiviteitswinsten. En daar blijft het Europese schoentje wringen. De komende dertig jaar zal de Europese arbeidsbevolking dalen van 280 naar 230 miljoen, terwijl de Amerikaanse op peil blijft. The Lancet rekent voor dat de Italiaanse en de Spaanse bevolking deze eeuw zal halveren. Waar geen mensen zijn, kan geen economische groei zijn. Europa is evengoed als Amerika intellectueel in staat tot innovatie, maar kapselt het innovatiepotentieel in door overregulering en door zwak bestuur. Door deze kopwind kijkt Europa aan tegen een gemiddelde economische groei die de komende dertig jaar met bijna mathematische zekerheid onder 1 procent zal blijven. Amerikaanse aandelen blijven de betere keuze en zouden in een beleggingsportefeuille minstens hun gewicht in de totale beurswaarde moeten krijgen. Vandaag vertegenwoordigen ze niet minder dan tweetermen van de wereldbeurs (zonder opkomende markten, met inbegrip van opkomende markten nog steeds 58%). De beurs van de eurozone vertegenwoordigt een weinig indrukwekkende 10 procent. Wie belegt in Europa, moet daarenboven heel selectief zijn. Elk Europees land, hoe zwak de economie ook mag zijn, heeft wel een paar potentiële beurskampioenen. Het is aan de stockpickers om ze te vinden.