De fiscus mag volgens het Hof van Cassatie gebruikmaken van gestolen bankgegevens om belastingfraude aan te tonen. Het hof kwam tot die conclusie in het dossier tegen de textielfamilie Dejager. Enkele leden van die familie werden strafrechtelijk vervolgd op basis van gegevens die waren gestolen bij de Liechtensteinse bank LGT. Ze waren in handen van de Duitse overheid gekomen, die ze doorspeelde aan de Bijzondere Belastinginspectie (BBI). De Duitse overheid had 4 miljoen euro voor die gegevens betaald.

Het arrest in de zaak-Dejager verraste niet echt. In 2003 had het Hof van Cassatie al geoordeeld dat onrechtmatig verkregen bewijs in strafzaken alleen in uitzonderlijke omstandigheden uit de bewijsvoering moet worden geweerd - dat heette de Antigoon-rechtspraak. In 2015 bevestigde het hof dat die ook geldt in fiscale zaken. Op basis daarvan moet een rechter onrechtmatig verkregen bewijs enkel uitsluiten als de wet een onrechtmatigheid op straffe van nietigheid voorschrijft of als het recht op een eerlijk proces in het gedrang komt.

In strafzaken komt daar nog bij dat onrechtmatig verkregen bewijs niet kan worden toegelaten als de betrouwbaarheid van het bewijs is aangetast. In fiscale zaken is onrechtmatig verkregen bewijs ook ongeldig als het is verkregen op een manier die zo indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik onder alle omstandigheden als ontoelaatbaar moet worden beschouwd.

"We mogen niet aanvaarden dat fiscale ambtenaren zich onaantastbaar achten"

Strafrechtelijke en fiscale speurders hebben daardoor wat meer ademruimte gekregen. Hun onderzoeken worden niet langer bij de geringste procedurefout met de grond gelijkgemaakt. Het is maatschappelijk niet verantwoord elke procedurefout zo zwaar te bestraffen dat een strafrechtelijke of fiscale vervolging niet meer mogelijk is. In het fiscale Antigoon-arrest bijvoorbeeld was de fiscus fictieve leveringen op het spoor gekomen, nadat de BBI inlichtingen had opgevraagd bij de Portugese belastingadministratie. Maar niet de BBI had dat moeten doen, wel de Centrale Eenheid voor de internationale administratieve samenwerking. Die onrechtmatigheid woog voor het Hof van Cassatie niet zwaar genoeg om het onderzoek nietig te verklaren. Daar valt iets voor te zeggen.

Maar in een rechtstaat mag van de overheid ook worden verwacht dat ze de wet respecteert, die democratisch tot stand is gekomen via een parlementaire beslissing. Het Hof van Cassatie kan het dan wel verantwoord vinden dat niet elke onrechtmatigheid tot de nietigheid van een onderzoek leidt, maar dat hoeft niet te betekenen dat de overheid of de ambtenaren die de onrechtmatigheid hebben begaan, daarvoor niet hoeven te worden bestraft. Momenteel wordt het debat daarover in zwart-wittermen gevoerd. De rechtspraak beslist enkel of het bewijs mag worden gebruikt en spreekt zich verder niet uit over de aard van de onrechtmatigheden.

Een maatschappelijk debat daarover is wenselijk, zodat de rechtspraak of de wetgeving indien nodig kan worden bijgestuurd. Doen we dat niet, dan lopen we het risico dat we in de Far West belanden, doordat politiemensen en fiscale ambtenaren zich onaantastbaar achten. In mijn praktijk heb ik bijvoorbeeld kunnen vaststellen dat belastingcontroleurs er niet voor terugdeinzen over omheiningen te klauteren om foto's te nemen van verbouwingswerken, en dat ze zelfs binnenvallen in de praktijkruimte van een geneesheer in een appartement op de zeedijk, omdat ze niet geloven dat daar een praktijkruimte is gevestigd. Ze stuitten er wel op een halfnaakte patiënte. En wat te denken van de realityreeks De fiscus waarin belastingambtenaren hun beroepsgeheim schonden door invallen te laten filmen en de beelden aan heel Vlaanderen te laten zien.

Dat soort toestanden mogen we niet aanvaarden. Als de bewijsuitsluiting te streng is als straf voor een onrechtmatigheid, moeten we op zoek naar een andere vorm van bestraffing. Onlangs liet het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest-Kalnéniené verstaan dat de rechtsonderhorige in zo'n geval aanspraak moet kunnen maken op een schadevergoeding. In het belang van de rechtstaat wordt het hoog tijd voor een maatschappelijk debat.