181.500 euro. Zoveel geld verdiende de Brusselse gemeente Jette in 2019 aan de overlijdens op haar grondgebied. In het Brussels Gewest beslissen de negentien gemeenten autonoom of ze een belasting heffen op wie op hun grondgebied overlijdt. Jette verdient daar goed aan. Niet alleen omdat het 220 euro per overledene vraagt, ook omdat het ziekenhuis UZ Jette op zijn grondgebied ligt. Sint-Lambrechts-Woluwe, waar het UZ Saint-Luc is gevestigd, heeft ook zo'n heffing. Vorig jaar bedroeg die 83 euro voor inwoners en 213 euro voor niet-inwoners. Cijfers voor 2020 zijn er nog niet, al zal de coronapandemie wel voor extra inkomsten hebben gezorgd.
...

181.500 euro. Zoveel geld verdiende de Brusselse gemeente Jette in 2019 aan de overlijdens op haar grondgebied. In het Brussels Gewest beslissen de negentien gemeenten autonoom of ze een belasting heffen op wie op hun grondgebied overlijdt. Jette verdient daar goed aan. Niet alleen omdat het 220 euro per overledene vraagt, ook omdat het ziekenhuis UZ Jette op zijn grondgebied ligt. Sint-Lambrechts-Woluwe, waar het UZ Saint-Luc is gevestigd, heeft ook zo'n heffing. Vorig jaar bedroeg die 83 euro voor inwoners en 213 euro voor niet-inwoners. Cijfers voor 2020 zijn er nog niet, al zal de coronapandemie wel voor extra inkomsten hebben gezorgd. De overlijdenstaks, die in Vlaanderen allang niet meer bestaat, is een schoolvoorbeeld van een verdoken belasting. De Brusselse gemeenten waar hij nog bestaat, omschrijven de taks als een administratieve formaliteit voor het opstellen van een overlijdensakte. De Brusselse dodentaks toont op een wat macabere wijze aan dat iemand zelfs na zijn dood nog interessant is voor de fiscus. Je zou ze kunnen weglachen als een anekdotische belasting, maar wie het Belgische fiscale stelsel van nabij bekijkt, moet besluiten dat dit land niet alleen een kampioen in belastingdruk is, maar ook een kampioen in op slinkse wijze fiscale inkomsten genereren.Hier volgen acht voorbeelden die aantonen dat de Belg belastingen betaalt zodra hij ademt. En zelfs daarna nog. Niemand keek nog op van de bevindingen over België van de OESO in haar jaarlijkse rapport over de loonkosten in de geïndustrialiseerde landen. De belastingdruk op arbeid bedraagt 51,5 procent voor een alleenstaande Belg met een gemiddeld loon van zo'n 3600 euro bruto per maand. Van de 100 euro die een werkgever betaalt, blijft dus na aftrek van de socialezekerheidsbijdragen en de belastingen netto nog 48,5 euro over. Voor een alleenstaande Belg met een hoger inkomen - bijvoorbeeld 6000 euro bruto - is de fiscale druk op arbeid nog hoger: 58,1 procent.De vorige federale regering voerde een taxshift door met een verlaging van de sociale bijdragen en een hervorming van de personenbelasting. Daardoor is de belastingdruk op arbeid wel gedaald, maar België staat nog altijd aan de wereldtop. Dat schrijft ook de Hoge Raad voor Financiën in haar vorig jaar verschenen rapport over de fiscaliteit in België. Dat dient als referentie voor de fiscale hervorming die de regering-De Croo moet voorbereiden: "Door de taxshift wordt een daling van de heffingsdruk met 2,3 procentpunt van de loonkosten verwacht. Ondanks die sterke daling blijft de heffingsdruk op arbeid uitermate hoog in België. Een verdere daling van de lasten op arbeid en een mogelijke verschuiving naar andere - minder groeiverstorende - belastingen kan dus wenselijk zijn." Dan wordt gedacht aan consumptie- en milieubelastingen. Enkele jaren geleden stelde Ivan Van de Cloot, de hoofdeconoom van de denktank Itinera, dat "arbeid in België belast wordt als een toxisch goed". Dat is vandaag nog altijd het geval. De hoge belastingdruk op arbeid is ook nog altijd een van de verklaringen voor de te lage Belgische werkzaamheidsgraad (70%). De voorbije decennia zijn wel doelgerichte lastenverlagingen op arbeid doorgevoerd, vooral voor de laagste lonen, maar de impliciete fiscale druk op arbeid (de fiscale en parafiscale inkomsten op arbeid in verhouding tot de belastbare basis) is met 42,2 procent nog altijd de hoogste in Europa. De inkomsten uit de personenbelasting zijn met 47,6 miljard euro bij de hoogste in Europa. Dat geldt ook voor de sociale bijdragen op het loon. In 2020 leverden die de staatskas 64,4 miljard euro op (zie tabel). Die parafiscale lasten zijn niet zomaar te vergelijken met de gewone belastingen. Ze dienen om de sociale zekerheid te financieren. Wie sociale bijdragen betaalt, bouwt ook rechten op in de vorm van mogelijke werkloosheidsuitkeringen, vergoedingen voor arbeidsongeschiktheid en het wettelijk pensioen. De redenering is: wat een werknemer aan sociale lasten betaalt, krijgt hij later terug. Maar dat klopt slechts ten dele. De sociale zekerheid is een combinatie van het verzekeringsprincipe en het solidariteitsprincipe. De hogere inkomens financieren de sociale zekerheid deels, zodat mensen met een lager inkomen een hogere uitkering kunnen krijgen. Alleen heeft het verzekeringsprincipe in de loop der jaren aan belang ingeboet tegenover het solidariteitsprincipe. Dat komt door het loonplafond in het werknemersstelsel. Hoe hoger het loon, hoe meer sociale bijdragen iemand betaalt en dus hoe meer pensioenrechten hij opbouwt. Maar wie jaarlijks meer dan 61.865,94 euro verdient, betaalt nog altijd sociale bijdragen, maar bouwt geen pensioenrechten meer op. Op die manier worden de sociale bijdragen vanaf een bepaald inkomen zuivere belastingen. Maar België zou België niet zijn, als daar niet een soort compensatie tegenover zou staan. Daar vindt het fiscale voordeel van pensioensparen, levensverzekeringen en langetermijnsparen zijn oorsprong. Wie dat doet, kan een deel van de premies aftrekken van zijn belastingen. Want vooral werknemers in de inkomenscategorieën die op het loonplafond botsen, doen aan pensioensparen. Sinds de invoering van de effectentaks bis eind vorig jaar klinkt de roep om nieuwe of hogere vermogens(winst)belastingen in België iets minder luid. Maar wanneer de regering de komende jaren de begroting moet saneren, kan dat snel veranderen. Nochtans is de impliciete belasting op kapitaal in België met 35,4 procent de op vier na hoogste in Europa. De ontvangsten uit heffingen op kapitaal bedragen 8,9 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Dat is het hoogste cijfer van de Europese Unie, na Luxemburg en Frankrijk. In tegenstelling tot het gangbare idee worden vermogens en vermogenswinsten in België breed en zwaar belast met onder meer de vennootschapsbelasting, de roerende voorheffing, de erf- en schenkrechten, de registratierechten, de belasting op langetermijnsparen, de inkomsten uit fiscale regularisaties en de onroerende voorheffing. Bovendien zijn sommige tarieven de voorbije jaren sterk gestegen: de roerende voorheffing op dividenden en intresten klom van 15 procent in 2011 naar 30 procent nu. Slechts drie vermogenswinsten zijn in ons land niet of onvolledig belast: de meerwaarde op de verkoop van de eigen woning, de huurgelden tussen personen en de meerwaarde op aandelen. De OESO stelt dat de relatief hoge opbrengsten uit successie- en registratierechten in België een belangrijke verklaring zijn voor het gewicht van de vermogenstaksen in het bbp. Van alle OESO-leden haalt België de grootste opbrengst uit heffingen op erfenissen en schenkingen. Dat is deels het gevolg van de relatief grote omvang van het vermogen in België, maar ook van de relatief hoge tarieven. Een land dat een groeibevorderende fiscaliteit nastreeft en veel vermogenstaksen heeft, heeft een probleem, stelt het belastingrapport van de Hoge Raad voor Financiën: "Belastingen op inkomen uit kapitaal zijn het meest nadelig voor economische groei, aangezien zij de investeringsbeslissing van individuen en bedrijven verstoren. Daartegenover staat wel dat zij kunnen bijdragen aan de herverdelingsdoelstelling." Ons land is ook het Europese nummer één in belastingen op motorvoertuigen. In 2019 brachten die 21,4 miljard euro op, of 3187 euro per voertuig, volgens de ACEA. Het totale bedrag aan autoheffingen stijgt al jaren: van 14,2 miljard euro in 2015 naar 19,6 miljard in 2018. De auto is een fiscale melkkoe: onder de inkomsten vallen onder meer de belasting op inverkeerstelling, de verkeersbelasting, de btw bij aankoop, de accijnzen en de btw op diesel en benzine. Onlangs kwam daar de kilometerheffing voor vrachtwagens bovenop. Vaak vergeten zijn de belastingen op autoverzekeringspremies, de solidariteitsbijdrage van bedrijfswagens, de gepersonaliseerde nummerplaten (1000 euro per auto), de autokeuring en de boetes. Van de verdoken autobelastingen is het zogenoemde kliksysteem op diesel de beruchtste. Een daling van de brandstofprijzen wordt slechts gedeeltelijk doorgerekend aan de consument. Een deel wordt omgezet in hogere accijnzen. Ook van de elektriciteitsfactuur wordt gezegd dat het een verkapte belastingbrief is. Dat klopt, al is België daarin verrassend genoeg een Europese middenmoter. De totale elektriciteitsprijs bedraagt hier 0,3 euro per kilowattuur. Daarmee hebben we de hoogste factuur, na Denemarken en Duitsland. Dat is een gevolg van de hoge basisprijs voor elektriciteit in België, die de zuivere energiecomponent en de netvergoeding omvat. Ongeveer een derde van elektriciteitsprijs bestaat uit heffingen. In België valt ook de veelheid van heffingen op, zowel door de Vlaamse als de federale overheid: de energiebijdrage, de federale bijdrage en de bijdrage voor het energiefonds. Plus 21 procent btw op de energiefactuur. Om de horeca te ondersteunen, heeft de federale regering de btw op maaltijden en dranken tot eind september verlaagd naar 6 procent. Voor maaltijden is de btw normaal 12 procent, voor dranken 21 procent. De bedoeling is dat de horecazaken hun marges kunnen verhogen. Los van de uitzonderlijke omstandigheden door de coronacrisis krijgt het Belgische btw-systeem met zijn verschillende tarieven al lang kritiek. Het nominale btw-tarief bedraagt 21 procent, wat in lijn is met andere Europese landen. Maar het reële tarief ligt een stuk lager (14%) door de lagere tarieven van 12 en 6 procent, en doordat sommige producten (zoals dag- en weekbladen, en recuperatiestoffen) niet aan btw zijn onderworpen. Het Belgische btw-stelsel is bovendien een gatenkaas. Dat het tarief voor verse voeding 6 procent is, wordt algemeen aanvaard. Maar ook kunstwerken, farmaproducten en doodskisten vallen onder dat tarief. En dan is er nog het tarief van 12 procent, dat om obscure redenen geldt voor steenkool en margarine. De tarieven evolueren bovendien niet mee met de tijd. Zo is het btw-tarief voor boeken 6 procent, maar voor een e-book is het 21 procent. Al die uitzonderingen brengen de btw-ontvangsten op 6,8 procent van het bbp of 31,8 miljard euro. In verhouding is dat nergens in Europa minder. Met een btw-tarief van 21 procent op alles zouden de inkomsten dubbel zo hoog zijn. Is dat een idee voor de belastinghervorming die de regering-De Croo plant? Fiscalisten en economen noemen de btw de meest efficiënte belasting. Ze is gemakkelijk te innen en de consument merkt er weinig van. Samen met de bedrijfsvoorheffing en de roerende voorheffing op spaarboekjes en obligaties is de btw een van de weinig bevrijdende bronbelastingen: de consument betaalt de belasting rechtstreeks aan de winkelier. En ze is volgens internationaal onderzoek groeivriendelijker dan belastingen op arbeid. Vier jaar geleden schafte de stad Antwerpen een bijzondere belasting af: de poortjestaks. Wie aan zijn tuin een achterpoortje had, moest daarvoor betalen. De taks dateerde nog uit de tijd van Napoleon. De waarheid gebiedt te zeggen dat de stad die taks al jaren niet meer inde. Maar er is nog een waslijst aan lokale belastingen die de gemeentekassen spekken. De vermelde dodentaks in Jette is er maar één van. Van gemeentebelastingen op markten, kermissen, terrassen, frituren, reclamedrukwerk, taxivervoer en nachtwinkels kijkt niemand op. Maar wat met taksen op rendez-voushuizen, slijterijen, steenbakkerijen, leurhandel of 'vermakelijkheden'? Gemiddeld heffen de steden en gemeenten zes soorten belastingen. Ze zijn niet gehaast om oude heffingen af te schaffen, want ze hebben er de voorbije jaren taken bijgekregen en moeten zelf de pensioenen van hun vastbenoemde ambtenaren betalen. Die pensioenkosten slokken al meer dan 15 procent van de belastinginkomsten op. De autonome lokale belastingen lopen op tot 700 miljoen euro per jaar. De Europese Commissie berekende de ontvangsten uit milieu- en energiebelastingen in België op 2,4 procent van het bbp. Daarmee zijn die bij de laagste in de Europese Unie. België heft vooral milieubelastingen op energie (6,3 miljard euro) en transport (2,9 miljard). Heffingen op verpakkingen (341 miljoen), water (119 miljoen) en afvalstoffen (79 miljoen) zijn beperkt en bedragen amper 0,12 procent van het bbp. Economen pleiten ervoor om meer of hogere milieulasten te hebben met het oog op een duurzame fiscaliteit. Dan wordt gedacht aan een CO2-taks, al kan dat enkel efficiënt gebeuren op Europees niveau.