Ik hoop, en ik ben er ook wel zeker van, dat mijn dochter vorige week voor haar examen vennootschapsrecht heeft gestudeerd dat een vennootschap met rechtspersoonlijkheid een afzonderlijke persoon is, met eigen rechten en plichten, onderscheiden van haar aandeelhouders en haar bestuurders. Jammer genoeg respecteren belastinginspecteurs dat onderscheid tussen de vennootschap, de aandeelhouders en de bestuurders niet altijd consequent. Ook rechters tasten de grenzen soms af. Gelukkig is ons hoogste rechtscollege er om de puntjes op i te plaatsen.

In het maatschappelijke en politieke debat, en zeker op de sociale media, is het mode de 'vervennootschappelijking' van het economische leven aan te vallen. Met populistische argumenten wordt beweerd dat de belastinginkomsten van de overheid zouden teruglopen omdat ondernemingsactiviteiten worden ingebracht in een vennootschap. Soms klopt dat, soms niet. En áls het zo zou zijn, kun je dat de burger kwalijk nemen, als meer dan de helft van de gecreëerde waarde fiscaal wordt afgeroomd? Bij fiscale controles blijkt soms dat een vennootschap een doorn in het oog is, onder de noemer: 'ik vind dat dit niet kan.'

Vennootschapsrecht: ook rechters tasten de grenzen soms af.

Een creatieve designer was de eigenaar van een merknaam en gaf al lang een licentie aan een operationele vennootschap om die merknaam commercieel te gebruiken. In ruil daarvoor kreeg de ontwerper een vergoeding in de vorm van royalty's. Gratis zou nu eenmaal abnormaal zijn. Voordien was de vormgever ook bestuurder van de vennootschap, maar dat was gestopt. De operationele vennootschap had daarnaast een dienstverleningsovereenkomst afgesloten met een tweede vennootschap, die advies verstrekte, in ruil voor een correcte vergoeding. Voor die diensten deed de adviesvennootschap beroep op haar bestuurder - dezelfde persoon als de creatieve designer.

De fiscus, gevolgd door het hof van beroep van Antwerpen, oordeelde dat de designer bij de operationele vennootschap een leidinggevende commerciële en technische functie had en daardoor als bedrijfsleider kon worden beschouwd. Omdat alle inkomsten die een bedrijfsleider van een vennootschap verkrijgt een bedrijfsleidersbezoldiging zijn, en dus ook de royalty's, wilde de fiscus de royalty's niet langer aanvaarden als roerende inkomsten, zodat ze zwaarder werden belast als beroepsinkomsten. Met andere woorden: de fiscus deed alsof de adviesvennootschap niet bestond en de designer de adviesdiensten rechtstreeks aan de operationele vennootschap verstrekte.

Belastinginspecteurs respecteren het onderscheid tussen een vennootschap, aandeelhouders de bestuurders niet altijd consequent.

Toch opereerde de adviesvennootschap onafhankelijk en zelfstandig. Ze mocht zelfs juridisch en feitelijk niet optreden in naam van de operationele vennootschap, en dus ook haar bestuurder niet. En laat dat nu net essentieel zijn om als bedrijfsleider te worden beschouwd. Als de adviesvennootschap het niet kon, hoe zou haar bestuurder het dan kunnen? Hij had dus geen mandaat. Daarnaast waren het adviescontract en de licentieovereenkomst totaal verschillend: de partijen, het voorwerp én de duurtijd. Het ene contract had geen impact op het andere, en als de adviesovereenkomst zou stoppen, zouden de royalty's gewoon doorlopen.

De belastingplichtige begreep het arrest niet, vond het juridisch fout en trok naar het Hof van Cassatie. Die oordeelde op 2 januari dat het hof van beroep ten onrechte het bestaan en de werking van de adviesvennootschap en de dienstverleningsovereenkomst had miskend. De fiscus en de rechter mochten de vennootschap en haar gevolgen niet zomaar naast zich neerleggen. Dat konden ze volgens het Hof van Cassatie enkel als ze zouden hebben vastgesteld dat de partijen de werkelijkheid bewust anders hadden voorgesteld. Of hoe ons hoogste rechtscollege gelukkig de eeuwenoude rechtsfiguren verkiest boven snel wisselende modegrillen.

Ik hoop, en ik ben er ook wel zeker van, dat mijn dochter vorige week voor haar examen vennootschapsrecht heeft gestudeerd dat een vennootschap met rechtspersoonlijkheid een afzonderlijke persoon is, met eigen rechten en plichten, onderscheiden van haar aandeelhouders en haar bestuurders. Jammer genoeg respecteren belastinginspecteurs dat onderscheid tussen de vennootschap, de aandeelhouders en de bestuurders niet altijd consequent. Ook rechters tasten de grenzen soms af. Gelukkig is ons hoogste rechtscollege er om de puntjes op i te plaatsen. In het maatschappelijke en politieke debat, en zeker op de sociale media, is het mode de 'vervennootschappelijking' van het economische leven aan te vallen. Met populistische argumenten wordt beweerd dat de belastinginkomsten van de overheid zouden teruglopen omdat ondernemingsactiviteiten worden ingebracht in een vennootschap. Soms klopt dat, soms niet. En áls het zo zou zijn, kun je dat de burger kwalijk nemen, als meer dan de helft van de gecreëerde waarde fiscaal wordt afgeroomd? Bij fiscale controles blijkt soms dat een vennootschap een doorn in het oog is, onder de noemer: 'ik vind dat dit niet kan.' Een creatieve designer was de eigenaar van een merknaam en gaf al lang een licentie aan een operationele vennootschap om die merknaam commercieel te gebruiken. In ruil daarvoor kreeg de ontwerper een vergoeding in de vorm van royalty's. Gratis zou nu eenmaal abnormaal zijn. Voordien was de vormgever ook bestuurder van de vennootschap, maar dat was gestopt. De operationele vennootschap had daarnaast een dienstverleningsovereenkomst afgesloten met een tweede vennootschap, die advies verstrekte, in ruil voor een correcte vergoeding. Voor die diensten deed de adviesvennootschap beroep op haar bestuurder - dezelfde persoon als de creatieve designer. De fiscus, gevolgd door het hof van beroep van Antwerpen, oordeelde dat de designer bij de operationele vennootschap een leidinggevende commerciële en technische functie had en daardoor als bedrijfsleider kon worden beschouwd. Omdat alle inkomsten die een bedrijfsleider van een vennootschap verkrijgt een bedrijfsleidersbezoldiging zijn, en dus ook de royalty's, wilde de fiscus de royalty's niet langer aanvaarden als roerende inkomsten, zodat ze zwaarder werden belast als beroepsinkomsten. Met andere woorden: de fiscus deed alsof de adviesvennootschap niet bestond en de designer de adviesdiensten rechtstreeks aan de operationele vennootschap verstrekte.Toch opereerde de adviesvennootschap onafhankelijk en zelfstandig. Ze mocht zelfs juridisch en feitelijk niet optreden in naam van de operationele vennootschap, en dus ook haar bestuurder niet. En laat dat nu net essentieel zijn om als bedrijfsleider te worden beschouwd. Als de adviesvennootschap het niet kon, hoe zou haar bestuurder het dan kunnen? Hij had dus geen mandaat. Daarnaast waren het adviescontract en de licentieovereenkomst totaal verschillend: de partijen, het voorwerp én de duurtijd. Het ene contract had geen impact op het andere, en als de adviesovereenkomst zou stoppen, zouden de royalty's gewoon doorlopen. De belastingplichtige begreep het arrest niet, vond het juridisch fout en trok naar het Hof van Cassatie. Die oordeelde op 2 januari dat het hof van beroep ten onrechte het bestaan en de werking van de adviesvennootschap en de dienstverleningsovereenkomst had miskend. De fiscus en de rechter mochten de vennootschap en haar gevolgen niet zomaar naast zich neerleggen. Dat konden ze volgens het Hof van Cassatie enkel als ze zouden hebben vastgesteld dat de partijen de werkelijkheid bewust anders hadden voorgesteld. Of hoe ons hoogste rechtscollege gelukkig de eeuwenoude rechtsfiguren verkiest boven snel wisselende modegrillen.