Een koppel met een duurzame relatie heeft bijna altijd een gemeenschappelijke bankrekening. De redenen daarvoor variëren. Men wil een rekening van waaruit de huishoudelijke kosten worden betaald, men wil samen sparen voor een vakantieverblijf, ... Wat op die rekening staat, is in principe van beide partners. Voor partners die gehuwd zijn zonder huwelijkscontract, gaat het nog verder. Zelfs als alle stortingen van de ene partner komen, hebben beide echtgenoten recht op de sommen op de rekening. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een echtgenoot een loon ontvangt op de gemeenschappelijke bankrekening en de andere echtgenoot geen inkomen heeft. Het saldo op de rekening is dan van beide echtgenoten ondanks dat zij er niet in gelijke mate toe hebben bijgedragen.

Meer nog, het hoeft zelfs niet om een gemeenschappelijke bankrekening te gaan. Ook als een echtgenoot een loon ontvangt op een bankrekening die hij of zij op eigen naam heeft geopend, kan de andere echtgenoot rechten doen gelden op die sommen. Volgens de wet worden de goederen van een echtgenoot automatisch vermoed van beide echtgenoten te zijn wanneer ze onder een gemeenschapsstelsel zijn gehuwd. Vandaar dat het storten van sommen op een eigen bankrekening in de praktijk vaak vergeefse moeite is als men de bedoeling heeft om de sommen zo af te schermen voor de andere echtgenoot. Zonder een wijziging van het huwelijksstelsel, blijven dat gemeenschappelijke gelden.

Veel Vlamingen hebben twee keer erfbelasting betaald op hetzelfde geld.

Wat gebeurt er dan met de gemeenschappelijke gelden als één van de echtgenoten overlijdt? In theorie worden die in tweeën verdeeld: de helft is voor de langstlevende echtgenoot, de andere helft behoort tot de erfenis van de overleden echtgenoot. Als diens erfgenamen zijn echtgenoot en kinderen zijn, zou het geld in de erfenis tussen hen moeten worden verdeeld, niet in gelijke delen maar volgens de regels van vruchtgebruik en blote eigendom. Maar in de praktijk gebeurt er vaak geen verdeling. In een gezin achten de kinderen het doorgaans gepast om de achterblijvende ouder in het bezit te laten van alle gelden op de rekening. De erfgenamen gaan dan samen naar de bank en doen het nodige om de rekening op naam van die ouder alleen te zetten. Dat is een mooi gebaar van de kinderen, want zo laten zij al het geld in handen van hun achterblijvende ouder.

Toch zijn kinderen die dat voorbeeldig gedrag stelden er in het verleden vaak fiscaal voor afgestraft, meestal zonder dat ze het beseften. Een voorbeeld: op het ogenblik dat Peter overlijdt, hebben hij en zijn echtgenote Valerie een gemeenschappelijke bankrekening met een saldo van 200.000 euro. Indien er geen bijzondere regeling getroffen is (zoals een huwelijkscontract, een testament, ...), zal 100.000 euro, de helft dus, tot de nalatenschap van Peter worden gerekend en aan erfbelasting worden onderworpen. Valerie en de kinderen beslissen om die 100.000 euro niet onderling te verdelen maar de volledige 200.000 euro ter beschikking te laten van Valerie. In de veronderstelling dat bij het latere overlijden van Valerie er nog altijd 200.000 euro op die rekening op haar naam staat, zal die som integraal tot haar nalatenschap worden gerekend en zal er erfbelasting op worden berekend. Maar de helft van die 200.000 euro is bij het overlijden van Peter al belast. De kinderen moeten dus na het overlijden van Valerie erfbelasting betalen op een som terwijl zij op een deel daarvan bij het overlijden van Peter al hebben betaald.

Economisch gezien, gaat het hier om een dubbele belasting. Dat zou kunnen worden vermeden door de geërfde gelden wel te verdelen en de langstlevende echtgenoot dus niet in het bezit te laten van alle gelden op de bankrekening. Maar dat is een louter fiscale benadering die geen rekening houdt met de maatschappelijke realiteit en misschien wel tot een verstoring van familiale relaties kan leiden. We mogen niet toelaten dat normaal gedrag in de verhouding tussen een weduwe en haar kinderen om fiscale redenen wordt verlaten. Er scheelt dan iets aan de fiscaliteit, niet aan het gedrag van de gemiddelde Vlaming.

Kunnen de kinderen die nu beseffen dat ze bij het overlijden van hun langstlevende ouder te veel hebben betaald een teruggave eisen?

Gelukkig is het zo ver niet moeten komen. Na een recente veroordeling van die praktijk door het hof van beroep in Gent heeft de Vlaamse Belastingdienst aangegeven voortaan wel rekening te houden met het feit dat na het overlijden van de eerste ouder, de langstlevende ouder en de kinderen vaak het geld op een gemeenschappelijke bankrekening niet verdelen. Men zal bij het overlijden van de langstlevende ouder niet meer de volle pot belasten, maar er aandacht voor hebben dat de kinderen niet twee keer belast worden.

Dat is een goede zaak voor de toekomst. Maar wat met het verleden? Kunnen de kinderen die nu beseffen dat ze bij het overlijden van hun langstlevende ouder te veel hebben betaald een teruggave eisen? De regelgeving in Vlaanderen bepaalt dat een teruggave mogelijk is wanneer er een 'nieuw feit' is en er nog geen vijf jaar verstreken is sinds het overlijden. De veroordeling van de bestaande fiscale praktijk en de officiële aankondiging van de Vlaamse Belastingdienst om die praktijk te wijzigen, zijn nieuwe feiten. De kinderen moeten dan ook een terugbetaling kunnen krijgen als zij daarom vragen.

Het valt te verwachten dat de Vlaamse Belastingdienst daar niet mee opgezet zal zijn en de kinderen zal verwijten destijds bij het overlijden van de langstlevende ouder er geen punt van te hebben gemaakt. Het is echter onkies om belastingplichtigen zulke verwijten te maken. De fiscus was fout in al die dossiers in het verleden, niet alleen in dat van de kinderen die zo dapper, geduldig en vermogend genoeg waren om er een rechtszaak van te maken.

Een koppel met een duurzame relatie heeft bijna altijd een gemeenschappelijke bankrekening. De redenen daarvoor variëren. Men wil een rekening van waaruit de huishoudelijke kosten worden betaald, men wil samen sparen voor een vakantieverblijf, ... Wat op die rekening staat, is in principe van beide partners. Voor partners die gehuwd zijn zonder huwelijkscontract, gaat het nog verder. Zelfs als alle stortingen van de ene partner komen, hebben beide echtgenoten recht op de sommen op de rekening. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een echtgenoot een loon ontvangt op de gemeenschappelijke bankrekening en de andere echtgenoot geen inkomen heeft. Het saldo op de rekening is dan van beide echtgenoten ondanks dat zij er niet in gelijke mate toe hebben bijgedragen. Meer nog, het hoeft zelfs niet om een gemeenschappelijke bankrekening te gaan. Ook als een echtgenoot een loon ontvangt op een bankrekening die hij of zij op eigen naam heeft geopend, kan de andere echtgenoot rechten doen gelden op die sommen. Volgens de wet worden de goederen van een echtgenoot automatisch vermoed van beide echtgenoten te zijn wanneer ze onder een gemeenschapsstelsel zijn gehuwd. Vandaar dat het storten van sommen op een eigen bankrekening in de praktijk vaak vergeefse moeite is als men de bedoeling heeft om de sommen zo af te schermen voor de andere echtgenoot. Zonder een wijziging van het huwelijksstelsel, blijven dat gemeenschappelijke gelden.Wat gebeurt er dan met de gemeenschappelijke gelden als één van de echtgenoten overlijdt? In theorie worden die in tweeën verdeeld: de helft is voor de langstlevende echtgenoot, de andere helft behoort tot de erfenis van de overleden echtgenoot. Als diens erfgenamen zijn echtgenoot en kinderen zijn, zou het geld in de erfenis tussen hen moeten worden verdeeld, niet in gelijke delen maar volgens de regels van vruchtgebruik en blote eigendom. Maar in de praktijk gebeurt er vaak geen verdeling. In een gezin achten de kinderen het doorgaans gepast om de achterblijvende ouder in het bezit te laten van alle gelden op de rekening. De erfgenamen gaan dan samen naar de bank en doen het nodige om de rekening op naam van die ouder alleen te zetten. Dat is een mooi gebaar van de kinderen, want zo laten zij al het geld in handen van hun achterblijvende ouder.Toch zijn kinderen die dat voorbeeldig gedrag stelden er in het verleden vaak fiscaal voor afgestraft, meestal zonder dat ze het beseften. Een voorbeeld: op het ogenblik dat Peter overlijdt, hebben hij en zijn echtgenote Valerie een gemeenschappelijke bankrekening met een saldo van 200.000 euro. Indien er geen bijzondere regeling getroffen is (zoals een huwelijkscontract, een testament, ...), zal 100.000 euro, de helft dus, tot de nalatenschap van Peter worden gerekend en aan erfbelasting worden onderworpen. Valerie en de kinderen beslissen om die 100.000 euro niet onderling te verdelen maar de volledige 200.000 euro ter beschikking te laten van Valerie. In de veronderstelling dat bij het latere overlijden van Valerie er nog altijd 200.000 euro op die rekening op haar naam staat, zal die som integraal tot haar nalatenschap worden gerekend en zal er erfbelasting op worden berekend. Maar de helft van die 200.000 euro is bij het overlijden van Peter al belast. De kinderen moeten dus na het overlijden van Valerie erfbelasting betalen op een som terwijl zij op een deel daarvan bij het overlijden van Peter al hebben betaald.Economisch gezien, gaat het hier om een dubbele belasting. Dat zou kunnen worden vermeden door de geërfde gelden wel te verdelen en de langstlevende echtgenoot dus niet in het bezit te laten van alle gelden op de bankrekening. Maar dat is een louter fiscale benadering die geen rekening houdt met de maatschappelijke realiteit en misschien wel tot een verstoring van familiale relaties kan leiden. We mogen niet toelaten dat normaal gedrag in de verhouding tussen een weduwe en haar kinderen om fiscale redenen wordt verlaten. Er scheelt dan iets aan de fiscaliteit, niet aan het gedrag van de gemiddelde Vlaming.Gelukkig is het zo ver niet moeten komen. Na een recente veroordeling van die praktijk door het hof van beroep in Gent heeft de Vlaamse Belastingdienst aangegeven voortaan wel rekening te houden met het feit dat na het overlijden van de eerste ouder, de langstlevende ouder en de kinderen vaak het geld op een gemeenschappelijke bankrekening niet verdelen. Men zal bij het overlijden van de langstlevende ouder niet meer de volle pot belasten, maar er aandacht voor hebben dat de kinderen niet twee keer belast worden.Dat is een goede zaak voor de toekomst. Maar wat met het verleden? Kunnen de kinderen die nu beseffen dat ze bij het overlijden van hun langstlevende ouder te veel hebben betaald een teruggave eisen? De regelgeving in Vlaanderen bepaalt dat een teruggave mogelijk is wanneer er een 'nieuw feit' is en er nog geen vijf jaar verstreken is sinds het overlijden. De veroordeling van de bestaande fiscale praktijk en de officiële aankondiging van de Vlaamse Belastingdienst om die praktijk te wijzigen, zijn nieuwe feiten. De kinderen moeten dan ook een terugbetaling kunnen krijgen als zij daarom vragen. Het valt te verwachten dat de Vlaamse Belastingdienst daar niet mee opgezet zal zijn en de kinderen zal verwijten destijds bij het overlijden van de langstlevende ouder er geen punt van te hebben gemaakt. Het is echter onkies om belastingplichtigen zulke verwijten te maken. De fiscus was fout in al die dossiers in het verleden, niet alleen in dat van de kinderen die zo dapper, geduldig en vermogend genoeg waren om er een rechtszaak van te maken.