Eind deze maand geeft minister van Financiën Vincent Van Peteghem meer duidelijkheid over zijn plannen voor een fiscale hervorming. De contouren zijn bekend. Volgens het regeerakkoord moet een bredere fiscale hervorming het belastingstelsel moderniseren, vereenvoudigen, en rechtvaardiger en neutraler te maken. In zijn beleidsverklaring stelde de minister al dat die hervorming moet bijdragen aan de engagementen in het regeerakkoord, zoals het verhogen van de werkgelegenheidsgraad, het aanmoedigen van het ondernemerschap en het ondersteunen van de klimaatambities.

Start de fiscale hervorming bij de fundering.

De manier waarop dat moet gebeuren, blijkt ook deels uit die beleidsverklaring. Volgens de minister is het advies van de Hoge Raad van Financiën van mei 2020 het ideale uitgangspunt. Daarin stelt de Raad voor in te zetten op een verdere verlaging van de lasten op arbeid en een verbreding van de belastbare basis om die verlaging duurzaam te financieren. Voorts voorziet de beleidsverklaring in een inspanning van de burgers en de ondernemingen met de grootste draagkracht, om de inspanningen te financieren die nodig zijn voor de gezondheidszorg. Voorstellen zijn een hervorming van de fiscale en parafiscale voordelen van beroepssporters en sportclubs, en de ondersteuning van internationale initiatieven rond de minimumbelasting van multinationale ondernemingen en de digitaks. Tot slot voorziet het beleidsplan in maatregelen rond fraudebestrijding en in initiatieven voor een groenere fiscaliteit.

Hoewel vriend en vijand het belang van die fiscale plannen zal onderschrijven, moeten we ons afvragen of een substantiële fiscale hervorming niet moet starten met een debat over de fundamenten van het fiscaal stelsel. Bij de vorige grote fiscale hervormingen stonden die fundamenten wel ter discussie en zijn ze gedefinieerd. Zo werd bij de invoering van de wet van 29 oktober 1919 over het systeem van de inkomstenbelasting zeer duidelijk gesteld dat de hervorming moest steunen op het beginsel van draagkracht: de sterkste schouders zouden de zwaarste lasten dragen. Dat werd dan fiscaal vertaald in de progressieve tariefstructuur van de personenbelasting. Wie meer inkomen heeft, moet een hogere gemiddelde belastingdruk ondergaan. Bij de volgende grote hervorming door de wet van 20 november 1962 was het neutraliteitsbeginsel de basis. Zo kwam er een globaliserende eenheidsbelasting met progressieve tarieven in de plaats van het cedulairstelsel van 1919, dat voorzag in een aparte belasting op onroerende goederen, op kapitaal en op bedrijfsinkomsten, verhoogd met een bijkomende inkomstenbelasting.

De fundamentele vraag is of het draagkracht- en neutraliteitsbeginsel nog pijlers van het huidige fiscaal stelsel in de inkomstenbelasting zijn.

Die draagkracht- en neutraliteitsbeginselen zijn intussen sterk verwaterd. In 1919 was het hoogste tarief van de progressieve personenbelasting (27,3%) van toepassing op de inkomsten boven 1 miljoen Belgische frank (omgerekend 366.000 euro in 2021). In 1964 was het hoogste tarief (55%) er voor inkomsten boven 5 miljoen Belgische frank (797.000 euro in 2021). In 2021 geldt het hoogste tarief (50%) al voor bruto-inkomens boven 41.360 euro, de doorsnee-inkomens dus. Voor tal van inkomsten, zoals de roerende inkomsten (intresten en dividenden) en meerwaarden op het privévermogen, gelden bovendien vaste tarieven, waardoor er geen sprake meer is van progressiviteit en de neutraliteit wordt doorbroken.

De fundamentele vraag is dus of in en welke mate het draagkracht- en neutraliteitsbeginsel nog pijlers van het huidige fiscaal stelsel in de inkomstenbelasting zijn. Als de regering vasthoudt aan die beginselen, moet ze dat expliciet bevestigen, ze inhoudelijk definiëren en bovenal consequent respecteren. Het regeerakkoord mag dan wel bepalen dat de fiscale hervorming de fiscaliteit rechtvaardiger en neutraler moet maken, nergens zegt het wat die begrippen fiscaal moeten inhouden. Alvorens men timmert aan de weg, moet men eerst kijken of de fundamenten wel goed liggen.

Eind deze maand geeft minister van Financiën Vincent Van Peteghem meer duidelijkheid over zijn plannen voor een fiscale hervorming. De contouren zijn bekend. Volgens het regeerakkoord moet een bredere fiscale hervorming het belastingstelsel moderniseren, vereenvoudigen, en rechtvaardiger en neutraler te maken. In zijn beleidsverklaring stelde de minister al dat die hervorming moet bijdragen aan de engagementen in het regeerakkoord, zoals het verhogen van de werkgelegenheidsgraad, het aanmoedigen van het ondernemerschap en het ondersteunen van de klimaatambities.De manier waarop dat moet gebeuren, blijkt ook deels uit die beleidsverklaring. Volgens de minister is het advies van de Hoge Raad van Financiën van mei 2020 het ideale uitgangspunt. Daarin stelt de Raad voor in te zetten op een verdere verlaging van de lasten op arbeid en een verbreding van de belastbare basis om die verlaging duurzaam te financieren. Voorts voorziet de beleidsverklaring in een inspanning van de burgers en de ondernemingen met de grootste draagkracht, om de inspanningen te financieren die nodig zijn voor de gezondheidszorg. Voorstellen zijn een hervorming van de fiscale en parafiscale voordelen van beroepssporters en sportclubs, en de ondersteuning van internationale initiatieven rond de minimumbelasting van multinationale ondernemingen en de digitaks. Tot slot voorziet het beleidsplan in maatregelen rond fraudebestrijding en in initiatieven voor een groenere fiscaliteit.Hoewel vriend en vijand het belang van die fiscale plannen zal onderschrijven, moeten we ons afvragen of een substantiële fiscale hervorming niet moet starten met een debat over de fundamenten van het fiscaal stelsel. Bij de vorige grote fiscale hervormingen stonden die fundamenten wel ter discussie en zijn ze gedefinieerd. Zo werd bij de invoering van de wet van 29 oktober 1919 over het systeem van de inkomstenbelasting zeer duidelijk gesteld dat de hervorming moest steunen op het beginsel van draagkracht: de sterkste schouders zouden de zwaarste lasten dragen. Dat werd dan fiscaal vertaald in de progressieve tariefstructuur van de personenbelasting. Wie meer inkomen heeft, moet een hogere gemiddelde belastingdruk ondergaan. Bij de volgende grote hervorming door de wet van 20 november 1962 was het neutraliteitsbeginsel de basis. Zo kwam er een globaliserende eenheidsbelasting met progressieve tarieven in de plaats van het cedulairstelsel van 1919, dat voorzag in een aparte belasting op onroerende goederen, op kapitaal en op bedrijfsinkomsten, verhoogd met een bijkomende inkomstenbelasting. Die draagkracht- en neutraliteitsbeginselen zijn intussen sterk verwaterd. In 1919 was het hoogste tarief van de progressieve personenbelasting (27,3%) van toepassing op de inkomsten boven 1 miljoen Belgische frank (omgerekend 366.000 euro in 2021). In 1964 was het hoogste tarief (55%) er voor inkomsten boven 5 miljoen Belgische frank (797.000 euro in 2021). In 2021 geldt het hoogste tarief (50%) al voor bruto-inkomens boven 41.360 euro, de doorsnee-inkomens dus. Voor tal van inkomsten, zoals de roerende inkomsten (intresten en dividenden) en meerwaarden op het privévermogen, gelden bovendien vaste tarieven, waardoor er geen sprake meer is van progressiviteit en de neutraliteit wordt doorbroken.De fundamentele vraag is dus of in en welke mate het draagkracht- en neutraliteitsbeginsel nog pijlers van het huidige fiscaal stelsel in de inkomstenbelasting zijn. Als de regering vasthoudt aan die beginselen, moet ze dat expliciet bevestigen, ze inhoudelijk definiëren en bovenal consequent respecteren. Het regeerakkoord mag dan wel bepalen dat de fiscale hervorming de fiscaliteit rechtvaardiger en neutraler moet maken, nergens zegt het wat die begrippen fiscaal moeten inhouden. Alvorens men timmert aan de weg, moet men eerst kijken of de fundamenten wel goed liggen.