Het artikel 322 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen laat de belastinginspecteur toe de opheffing van het bankgeheim te vragen nadat hij aan de belastingplichtige "duidelijk heeft aangegeven dat hij over een of meer aanwijzingen van belastingontduiking beschikt".

Wellicht hebben de makers van die wet niet goed beseft hoe problematisch dat is. Zelfs bij een gerechtelijk onderzoek worden de verdachten meestal pas aan het eind formeel in verdenking gesteld. Mensen worden snel boos als ze worden beschuldigd vooraleer alles duidelijk is.

"Spreek niet te snel over belastingontduiking"

Het artikel 333 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen zegt hetzelfde, maar nog iets scherper. De inspecteur kan de onderzoekstermijn verlengen van drie naar zeven jaar "op voorwaarde dat hij de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoeld tijdperk".

Als de inspecteur nog bankgegevens wil krijgen of nog andere vragen heeft, wil dat zeggen dat het bewijs van de ontduiking kennelijk nog niet rond is. Daarom is het voorbarig dat hij op dat moment al over belastingontduiking moet spreken.

Wij kennen allemaal iemand die zeer boos is geworden op de fiscus. Hij heeft op de radio en de televisie verkondigd dat de gewestelijk directeur een "machtswellusteling" en een "gevaarlijk man" is.

In een arrest van 17 december 2013 heeft het Gentse Hof van Beroep de wet letterlijk opgenomen. Belastingontduiking betekent niet gewoon dat er iets verkeerd is met de aangifte. Dan spreken we van een vergissing, een misverstand of een onopzettelijke overtreding. Om van ontduiking te spreken moeten inkomsten bewust zijn verzwegen, aldus het hof. Er moet met andere woorden sprake zijn van opzet. In de strafrechtelijke betekenis van belastingfraude is er zelfs sprake van bedrieglijk opzet.

Dat is nu precies het problematische in de belastingwet. Nog voordat de inspecteur zeker weet wat er aan de hand is, en of er überhaupt iets fouts is gebeurd, moet hij al "duidelijk aanwijzen" dat het een opzettelijke fout was, wellicht met bedrieglijk inzicht. Je moet als burger - en zeker als bekend politicus - een wel heel kalm karakter hebben om dan niet tegen het plafond te hangen.

Het intentieproces is voorbarig. Het is ook niet echt productief: eerst iemand in het gezicht spuwen, een bedrieger noemen, en vervolgens alle medewerking vragen bij het verdere onderzoek.

"Vervang de woorden 'aanwijzingen van belastingontduiking' door 'aanwijzingen van mogelijke onregelmatigheden"

Het is intussen wel erg lang wachten op het arrest van het Hof van Cassatie in die zaak. De mogelijkheid bestaat dat ook Cassatie de wet letterlijk opneemt en oordeelt dat er bij aanwijzingen van fraude inderdaad aanwijzingen van (bedrieglijk) opzet moeten zijn. De woorden zijn wat ze zijn. De wet is nu eenmaal de wet.

Toch zou een tactische en beleefde inspecteur de aanwijzingen voorzichtiger moeten kunnen formuleren, bijvoorbeeld in de zin van: wij denken dat er misschien iets niet in orde is. Dat zou de mensen veel minder op stang jagen. Dan wordt het tijd de wet in die zin te herbekijken.

Staatssecretaris voor Fraudebestrijding Elke Sleurs (N-VA) schreef het ook in haar beleidsverklaring: "De fiscus moet met de belastingplichtige een professioneel debat voeren en niet meteen de beschuldiging van fraude uiten."

De bedoeling van de genoemde bepalingen is uiteraard dat niet zomaar bij Jan en alleman het bankgeheim wordt opgeheven of de onderzoekstermijn wordt verlengd tot zeven jaar. Er moet selectiviteit zijn. Er moet iets bijzonders aan de hand zijn opdat de Bijzondere Belastinginspectie er iemand mag uitpikken voor meer dan een gewone controle.

Maar dan hoeft toch niet per se vooraf het woord 'belastingontduiking' te vallen? Dat strookt ook niet met het vermoeden van onschuld. Vandaar mijn voorstel aan de wetgever : vervang in die teksten de woorden 'aanwijzingen van belastingontduiking' door 'aanwijzingen van mogelijke onregelmatigheden'.