In het regeerakkoord van de regering-De Croo staat dat "de overheid zal streven naar een eerlijke bijdrage van die personen die het grootste vermogen hebben om bij te dragen, met respect voor het ondernemerschap". De opbrengst, die tussen 250 en 300 miljoen euro zou bedragen, zou worden voorbehouden voor de gezondheidszorg.

Op zich is het nobel van de regering extra middelen voor de gezondheidszorg te zoeken bij de grote vermogens. Er lagen verschillende mogelijkheden op tafel, zoals een vermogensbelasting, een vermogenswinstbelasting en een dubbele inkomstenbelasting. De regering heeft de kaart van een nieuwe effectentaks getrokken. Dat is verwonderlijk, aangezien de regering-Michel I al een effectentaks had ingevoerd, maar daarvoor werd teruggefloten door het Grondwettelijk Hof, dat de wetgeving als discriminerend heeft beoordeeld.

Ook rijken hebben recht op een eerlijke fiscaliteit.

Zal de nieuwe effectentaks de discriminatietoets wel doorstaan? In het voorstel van de regering worden effectenportefeuilles waarvan de gemiddelde waarde meer dan 1 miljoen euro bedraagt, onderworpen aan een jaarlijkse abonnementstaks van 0,15 procent. Nieuw in vergelijking met de vorige effectentaks is dat de drempelwaarde werd opgetrokken van 500.000 tot 1 miljoen euro, dat ook afgeleide financiële producten zoals swaps, opties en futures worden belast, en dat de belasting van toepassing zal zijn op zowel particulieren als vennootschappen en rechtspersonen.

Toch zijn er nog altijd heel wat potentiële discriminerende struikelblokken die de rechtsgeldigheid van de belasting in het gedrang kunnen brengen. Ten eerste kan worden gewezen op de doelstelling van het regeerakkoord, waar wordt vooropgesteld een eerlijke bijdrage te vorderen van personen die de grootste vermogens hebben om bij te dragen. Die bijdrage wordt beperkt tot diegenen met een effectenportefeuille boven 1 miljoen euro. Volgens de regering heeft dat als voordeel dat effectenportefeuilles eenvoudig te traceren zijn bij financiële instellingen en dat de waardering van de effecten op elk moment bekend is. Bovendien zullen de banken de heffing innen, zodat de administratie daarvoor niet veel inspanningen hoeft te doen. Dat klopt, maar de vraag blijft waarom een eigenaar van een effectenportefeuille van 1 miljoen euro wel een rijkentaks moet betalen, en een eigenaar van een kunstcollectie of een onroerend patrimonium met een waarde van 10 miljoen euro niet. Dat effectenportefeuilles worden beschouwd als laaghangend fruit, kan moeilijk als een juridische motivering gelden.

De keuze voor een effectentaks als middel om grote vermogens te doen bijdragen is een groot juridisch risico.

Een tweede struikelblok is dat er geen rekening wordt gehouden met het globale vermogen van de belastingplichtige. De aandelen op verschillende effectenrekeningen op dezelfde naam moeten niet worden opgeteld. Elke effectenrekening wordt als een apart belastbaar voorwerp beschouwd. Wie drie effectenrekeningen bezit met een waarde van 500.000 euro wordt niet belast, in tegenstelling tot een persoon die één effectenrekening bezit met een waarde van 1,5 miljoen euro.

Ook worden in het voorstel aandelen op naam van de belasting vrijgesteld, waardoor aandeelhouders van kmo's aan de heffing ontsnappen. Daarmee wil de regering het ondernemerschap niet ontmoedigen. De vraag rijst of voor het verschil in behandeling tussen gedematerialiseerde effecten en effecten op naam een deugdelijke verantwoording voorhanden is, temeer omdat zowel de Raad van State als het Grondwettelijk Hof het onderscheid bij de vorige effectentaks als discriminerend heeft bestempeld.

De keuze voor een effectentaks als middel om grote vermogens te doen bijdragen is dan ook een groot juridisch risico, en het staat in de sterren geschreven dat de rechtsgeldigheid van de nieuwe belasting zal worden aangevochten voor het Grondwettelijk Hof. Ook rijken hebben recht op een eerlijke fiscaliteit.

In het regeerakkoord van de regering-De Croo staat dat "de overheid zal streven naar een eerlijke bijdrage van die personen die het grootste vermogen hebben om bij te dragen, met respect voor het ondernemerschap". De opbrengst, die tussen 250 en 300 miljoen euro zou bedragen, zou worden voorbehouden voor de gezondheidszorg. Op zich is het nobel van de regering extra middelen voor de gezondheidszorg te zoeken bij de grote vermogens. Er lagen verschillende mogelijkheden op tafel, zoals een vermogensbelasting, een vermogenswinstbelasting en een dubbele inkomstenbelasting. De regering heeft de kaart van een nieuwe effectentaks getrokken. Dat is verwonderlijk, aangezien de regering-Michel I al een effectentaks had ingevoerd, maar daarvoor werd teruggefloten door het Grondwettelijk Hof, dat de wetgeving als discriminerend heeft beoordeeld.Zal de nieuwe effectentaks de discriminatietoets wel doorstaan? In het voorstel van de regering worden effectenportefeuilles waarvan de gemiddelde waarde meer dan 1 miljoen euro bedraagt, onderworpen aan een jaarlijkse abonnementstaks van 0,15 procent. Nieuw in vergelijking met de vorige effectentaks is dat de drempelwaarde werd opgetrokken van 500.000 tot 1 miljoen euro, dat ook afgeleide financiële producten zoals swaps, opties en futures worden belast, en dat de belasting van toepassing zal zijn op zowel particulieren als vennootschappen en rechtspersonen. Toch zijn er nog altijd heel wat potentiële discriminerende struikelblokken die de rechtsgeldigheid van de belasting in het gedrang kunnen brengen. Ten eerste kan worden gewezen op de doelstelling van het regeerakkoord, waar wordt vooropgesteld een eerlijke bijdrage te vorderen van personen die de grootste vermogens hebben om bij te dragen. Die bijdrage wordt beperkt tot diegenen met een effectenportefeuille boven 1 miljoen euro. Volgens de regering heeft dat als voordeel dat effectenportefeuilles eenvoudig te traceren zijn bij financiële instellingen en dat de waardering van de effecten op elk moment bekend is. Bovendien zullen de banken de heffing innen, zodat de administratie daarvoor niet veel inspanningen hoeft te doen. Dat klopt, maar de vraag blijft waarom een eigenaar van een effectenportefeuille van 1 miljoen euro wel een rijkentaks moet betalen, en een eigenaar van een kunstcollectie of een onroerend patrimonium met een waarde van 10 miljoen euro niet. Dat effectenportefeuilles worden beschouwd als laaghangend fruit, kan moeilijk als een juridische motivering gelden. Een tweede struikelblok is dat er geen rekening wordt gehouden met het globale vermogen van de belastingplichtige. De aandelen op verschillende effectenrekeningen op dezelfde naam moeten niet worden opgeteld. Elke effectenrekening wordt als een apart belastbaar voorwerp beschouwd. Wie drie effectenrekeningen bezit met een waarde van 500.000 euro wordt niet belast, in tegenstelling tot een persoon die één effectenrekening bezit met een waarde van 1,5 miljoen euro. Ook worden in het voorstel aandelen op naam van de belasting vrijgesteld, waardoor aandeelhouders van kmo's aan de heffing ontsnappen. Daarmee wil de regering het ondernemerschap niet ontmoedigen. De vraag rijst of voor het verschil in behandeling tussen gedematerialiseerde effecten en effecten op naam een deugdelijke verantwoording voorhanden is, temeer omdat zowel de Raad van State als het Grondwettelijk Hof het onderscheid bij de vorige effectentaks als discriminerend heeft bestempeld. De keuze voor een effectentaks als middel om grote vermogens te doen bijdragen is dan ook een groot juridisch risico, en het staat in de sterren geschreven dat de rechtsgeldigheid van de nieuwe belasting zal worden aangevochten voor het Grondwettelijk Hof. Ook rijken hebben recht op een eerlijke fiscaliteit.