De onderhandelingen over een nieuwe federale regering zitten muurvast. Voor sommigen is dat het zoveelste bewijs dat België onbestuurbaar is geworden en staatkundig moet worden hervormd tot een confederatie. Die eis leidt nu al maandenlang tot een politieke impasse, waardoor ons land stilstaat, net nu het zijn begroting weer op de rails moet krijgen. Wie de politieke commentaren leest, vraagt zich wellicht ook af of het confederalisme wel zo haalbaar is als het wordt voorgesteld. Kan de politieke meerderheid die stap zomaar zetten?

Een confederatie is een samenwerkingsverband tussen onafhankelijke staten, die in een verdrag vastleggen dat ze een beperkt aantal zaken samen regelen. In principe moet dat doenbaar zijn, na de vorige staatshervormingen waardoor bevoegdheden van de federale overheid geleidelijk zijn overgeheveld naar de gewesten. Wordt de stap naar het confederalisme gezet, dan keert die logica om: alle bevoegdheden gaan dan naar de drie deelstaten, die daarna afspreken welke ze nog gezamenlijk uitoefenen. Zo zouden enkel nog defensie en buitenlands beleid federaal blijven. Sociaaleconomische bevoegdheden zoals fiscaliteit, sociale zekerheid, zorg, gezondheid, klimaat, binnenlandse zaken, justitie en onderwijs gaan naar de deelstaten.

Ook fiscaal heeft het confederalisme onverwachte neveneffecten.

Hoewel ik ook een voorstander ben van een meer pragmatische staatsstructuur met beter en duidelijker afgelijnde bevoegdheden en een stelselmatige uitbreiding van de bevoegdheden van de deelstaten, lijkt een radicale ommezwaai naar een confederaal model niet zo vanzelfsprekend. Zodra er bevoegdheden van de federale staat naar de regio's gaan, moet ook de overheidsadministratie worden geregionaliseerd. Bovendien moet een oplossing worden gezocht voor hete hangijzers zoals de historische overheidsschuld.

Ook fiscaal heeft het confederalisme onverwachte neveneffecten. Door onafhankelijke deelstaten te creëren in het confederale België wordt de fiscaliteit geïnternationaliseerd. Brussel en Wallonië staan dan fiscaal tegenover Vlaanderen op dezelfde voet als Nederland en Frankrijk. Vlaanderen is zo met handen en voeten gebonden zijn aan de regels van de internationale fiscaliteit.

Als Vlaanderen het inkomen van zijn inwoners kan belasten, kan het hen ook belasten op hun wereldinkomen. Dat betekent dat wie in Brussel werkt, in Vlaanderen op zijn beroepsinkomen belasting moet afdragen. Op zich is dat logisch, maar ook Brussel en Wallonië kunnen dat inkomen te belasten.

Waarom zou Brussel afstand doen van een hoop belastinginkomsten ten voordele van Vlaanderen en Wallonië?

De oplossing is een dubbelbelastingverdrag te sluiten. Het probleem is dat dat verdrag volgens de internationale principes moet bepalen dat enkel de werkstaat het inkomen kan belasten, en niet de woonstaat, als het inkomen bijvoorbeeld wordt betaald door een werkgever die in de werkstaat is gevestigd. Dat heeft niet te onderschatten gevolgen. Volgens de jongste cijfers werken 250.000 Vlaamse en 95.000 Waalse pendelaars in Brussel. Die zouden meestal in Brussel op hun arbeidsinkomen worden belast. Een grensgangersregeling opnemen in het verdrag is niet vanzelfsprekend. Zeg eens eerlijk: waarom zou Brussel afstand doen van een hoop belastinginkomsten ten voordele van Vlaanderen en Wallonië?

Ook Vlaamse bedrijven die in Brussel of Wallonië een bijhuis, een verkoopkantoor of een winkel hebben, worden met dat probleem geconfronteerd. Vlaanderen en Wallonië dreigen zo een deel van de vennootschapsbelasting mis te lopen.

Zowel de invoering van een grensgangersregeling, als de fusie van Brussel met Vlaanderen en Wallonië, als de creatie van een Brussel light waarbij de inwoners moeten beslissen tussen het Vlaamse of het Waalse belastingsysteem, lijken politieke utopieën. Ook de vlucht uit Brussel, waarbij de Vlaamse administratie en de Vlaamse bedrijven zich in Vlaanderen vestigen, is niet realistisch. Tussen droom en daad staan niet alleen wetten en praktische bezwaren in de weg, maar vooral een hoop belastinginkomsten.