"De vraag van 11 miljard", was de kop boven het artikel dat op 31 augustus 2017 in Trends verscheen. Die 11 miljard sloeg op het totale bedrag aan dividenden dat kleine en grote vennootschappen in 2013 en 2014 hadden uitgekeerd aan hun aandeelhouders én die onmiddellijk weer in het kapitaal werden geïncorporeerd via een kapitaalverhoging. Die zogenoemde incorporatie van reserves was een reactie op een belastingverhoging voor ondernemers die de regering-Di Rupo had aangekondigd én een manier om aan die verhoging te ontsnappen.

De beslissing van de regering-Michel om vanaf 1 januari kapitaalverminderingen anders te belasten, leidde bij sommige ondernemers tot blinde paniek.

De regering-Di Rupo had anderhalf jaar van tevoren aangekondigd dat ondernemers vanaf 1 oktober 2014 bij de vereffening van hun vennootschap 25 procent roerende voorheffing moesten betalen op de liquidatiebonus, in plaats van 10 procent voordien. Die 25 procent is ondertussen opgelopen tot 30 procent. De liquidatiebonus is het verschil tussen het gestorte kapitaal en het kapitaal dat ondernemers bij de liquidatie van hun vennootschap overhouden, na aftrek van schulden en vorderingen. Heel wat ondernemers beschouwden de liquidatiebonus als hun appeltje voor de dorst. Een belastingverhoging met 150 procent vonden de meesten dan ook onredelijk. Ze maakten massaal gebruik van de overgangsregeling om de spaarpot voor hun oude dag veilig te stellen.

Het wachten is voorbij

De vennootschappen konden een jaar lang hun historische reserves incorporeren in het kapitaal. Ze moesten daarvoor eerst een dividend uitkeren, waarop ze 10 procent belastingen moesten betalen. Met wat van het dividend na belastingen overbleef, moesten ze onmiddellijk daarna een kapitaalverhoging doorvoeren. Het hele zaakje moest natuurlijk ook voor de notaris worden geregeld.

Na een wachttijd zouden de ondernemers de geïncorporeerde reserves dan belastingvrij uit de vennootschap kunnen halen via een kapitaalvermindering. Voor kmo's was er een wachttijd van vier jaar van kracht, voor grotere ondernemingen een van acht jaar. Voor kmo's is de wachttijd dus afgelopen.

Bank J. Van Breda schatte op basis van statistieken van de Nationale Bank dat ruim 25.000 kmo's in 2013 en 2014 een deel van hun historische reserves op die manier hebben geïncorporeerd in het kapitaal. Volgens Peter Van Dessel, sectorverantwoordelijke ondernemers bij Bank J. Van Breda, was ongeveer 10 van de 11 miljard afkomstig van kmo's.

'Hoe sneller je dat geld van de vennootschap naar het privévermogen haalt, hoe sneller je het kan laten renderen'

Het staat de ondernemers vrij het geld nog te laten zitten, of slechts een deel van het kapitaal van de vennootschap naar het privévermogen te versluizen. Bank J. Van Breda adviseert de klanten het geld er zo snel mogelijk uit te halen. "De ondernemer heeft natuurlijk vier jaar geleden al 10 procent belasting betaald om het er nu belastingvrij uit te halen", zegt Van Dessel. "Hoe sneller je dat geld van de vennootschap naar het privévermogen haalt, hoe sneller je het kan laten renderen, bijvoorbeeld door het te beleggen."

Dominiek Delobel, fiscaal expert van Bank J. Van Breda, merkt op dat er met privévermogen een aantal fiscaalvriendelijke beleggingsopties zijn, zoals beleggingsverzekeringen, die niet bestaan voor vennootschappen. Bovendien is het voor een kmo moeilijker geworden nog in individuele aandelen te beleggen. De meerwaarde op aandelen is sinds 1 januari belastbaar in de vennootschapsbelasting. Daarvoor werd die enkel belast bij aan- en verkopen binnen de zes maanden. Enkel de meerwaarde op participaties van 2,5 miljoen euro of 10 procent in het kapitaal van een onderneming zijn nog vrijgesteld van belasting. "Voor de modale kmo is dat niet haalbaar", zegt Delobel. Hij noemt de strengere voorwaarden voor de vrijstelling een gamechanger.

Twee maanden wachten

Hoeveel geld er exact via kapitaalverminderingen uit de vennootschappen is gehaald, weet ook Bank J. Van Breda niet. Van Dessel: "Het is onbegonnen werk na te gaan hoeveel van die 10 miljard euro opnieuw uit de vennootschappen is gehaald. Daarvoor zouden we alle publicaties over kapitaalverminderingen in het Staatsblad één voor één moeten lezen."

'Sinds 1 oktober 2017 hebben ongeveer 17.000 kmo's beslist een kapitaalvermindering door te voeren'

Van Dessel merkt op dat hij wel een andere cijfer heeft dat we kunnen vergelijken met de 25.000 kmo's die historische reserves incorporeerden. Van Dessel: "Sinds 1 oktober 2017 hebben ongeveer 17.000 kmo's beslist een kapitaalvermindering door te voeren. Op basis van een steekproef en de ervaringen die we hebben met onze klanten, gaan we ervan uit dat het vooral kapitaalverminderingen zijn die dienen om geïncorporeerde reserves uit de vennootschap te halen."

Dat betekent nog niet dat al die kapitaalverminderingen al zijn doorgevoerd en al het geld is uitgekeerd. Het geld moet twee maanden als een schuld ten opzichte van de aandeelhouders op een rekening-courant staan om schuldeisers de tijd te geven te reageren.

Gezinswoning uit vennootschap

Niet alle kapitaalverminderingen zijn in cash of roerende beleggingen doorgevoerd. Het zou bijvoorbeeld best kunnen dat de villa op de naam van de zaak via een kapitaalvermindering naar het privévermogen is verhuisd. De waarde van die villa moest dan op voorhand worden geschat.

"Vroeger was het vaak voordelig de gezinswoning via de vennootschap aan te kopen", schetst Delobel. "Als privépersoon betaal je ofwel huur aan de vennootschap, ofwel belasting op het voordeel in natura." Onder de regering-Di Rupo werd die belasting op het voordeel in natura sterk opgetrokken. Het voorbije jaar is er wel wat rechtspraak geweest in het voordeel van de belastingplichtige, waardoor minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) de factor verlaagd heeft waarmee de waarde van het voordeel in natura moet worden berekend.

"Je voelt dat het de wetgever een doorn in het oog is", zegt Delobel. Hij adviseert op zijn minst te bekijken of het een optie is de gezinswoning of het tweede verblijf naar het privévermogen te halen. "Onder bepaalde voorwaarden is bovendien voor eenpersoons-bvba's een vlak belastingtarief van 50 euro van toepassing in plaats van de 7 of 10 procent registratierechten die je betaalt als je op een later tijdstip de woning van de vennootschap wilt overkopen."

Ze hebben ons liggen

Er kwam volgens Bank J. Van Breda een versnelling van de kapitaalverminderingen op gang, nadat het nieuws over de roerende voorheffing op de kapitaalverminderingen was doorgesijpeld bij het ondernemerspubliek. De beslissing van de regering-Michel in juli 2017 om vanaf 1 januari kapitaalverminderingen anders te belasten, leidde bij sommige ondernemers tot blinde paniek.

Delobel: "Lap, ze hebben ons liggen, dachten de ondernemers die vier jaar eerder reserves hadden geïncorporeerd en nog enkele maanden moesten wachten vooraleer ze die reserves er belastingvrij konden uithalen. Het veroorzaakte enorme stress bij onze klanten. Sommigen wilden het geld zelfs meteen uit hun vennootschap halen, en dus nog eens 5, 10 of 15 procent extra belastingen betalen, afhankelijk van de resterende wachttijd. We hebben zeer veel klanten moeten geruststellen. De kapitaalverminderingen van geïncorporeerde reserves waren nooit in scoop, maar zelfs bij accountants en boekhouders was er lange tijd veel onduidelijkheid omdat de details van het akkoord in stukken en brokken naar buiten kwamen."

Er is enorm veel kapitaal voorhanden en de ondernemers staan te popelen om het te investeren in andere ondernemingen

Voor alle andere kapitaalverminderingen geldt sinds 1 januari dat een deel van de kapitaalvermindering wordt aangerekend op de belaste reserves en een deel op het volgestorte kapitaal, in dezelfde verhouding als er reserves en kapitaal in de vennootschap aanwezig zijn. Op het deel dat op de reserves wordt aangerekend, is roerende voorheffing verschuldigd alsof het om een dividend gaat: 30 procent, of 15 procent voor kmo's die voldoen aan bepaalde voorwaarden (VVPR bis). Vroeger waren kapitaalverminderingen onder bepaalde voorwaarden volledig vrijgesteld van roerende voorheffing.

Successie

Van Dessel en Delobel merkten dat er bij de klanten na de kapitaalverminderingen ook veel vragen naar boven kwamen over successieplanning. Zolang het vermogen in de vennootschap zat, zouden de erfgenamen bij een onverwacht overlijden amper erfbelasting betalen. Door een deel van het vermogen van de vennootschap naar het privévermogen te brengen, dreigden sommige erfgenamen in de hoogste belastingschijf van 27 procent terecht te komen. Verschillende ondernemers begonnen daarom aan schenkingen te denken.

Schaapjes op het droge

Van Dessel probeert ook een antwoord te formuleren op de vraag wat de aandeelhouders deden met het geld dat ze uit hun vennootschap haalden. "Wij zien bij de klanten dat een deel van dat geld naar roerende beleggingen gaat, zoals aandelen en fondsen. Een deel gaat naar onroerende beleggingen: het vakantiehuis waar de klanten al lang van droomden. Daarnaast zien we dat de collega's die fusies en overnames regelen, het ongelooflijk druk hebben. Er is enorm veel kapitaal voorhanden en de ondernemers staan te popelen om het te investeren in andere ondernemingen. Het risicoloze rentenieren bestaat niet meer. Ondernemers die de leeftijd van 50 of 55 jaar bereikt hebben, willen in de eerste plaats hun schaapjes en die van hun kinderen op het droge brengen."

Van geïncorporeerde naar liquidatiereserve

De tijdelijke regeling van de incorporatie van reserves kreeg een permanent staartje. Kmo-vennootschappen kunnen aan het einde van elk jaar liquidatiereserves aanleggen. Een vennootschap kan na betaling van 10 procent belasting jaarlijks op een aparterekening een deel van de winst reserveren voor het 'pensioen' van de aandeelhouders. Na een wachttijd van vijf jaar kunnen de aandeelhouders de liquidatiereserve opnemen. Ze moeten dan nog eens 5 procent roerende voorheffing betalen. Nemen ze de liquidatiereserve niet op, dan hoeven ze geen belastingen meer te betalen bij de liquidatie van de vennootschap.