Volgens een nieuw rapport van de OESO, de organisatie van industriële landen, houden mensen geboren in 1956, die nu ongeveer met pensioen gaan, in België 53,0 procent van hun laatste brutoloon over als ze met pensioen zijn. Die brutovervangingsratio - de verhouding tussen het pensioen en het laatste brutoloon - zal bij ongewijzigd beleid met 13,8 procent zakken tot 45,7 procent, blijkt uit het rapport.

Een dergelijke daling doet zich ook voor in de meeste andere OESO-landen. Binnen het samenwerkingsverband daalt de brutovervangingsratio gemiddeld met ongeveer 10 procent. Van de landen met een hoge ratio (boven het OESO-gemiddelde) zijn alleen in Oostenrijk en Portugal toekomstige gepensioneerden niet slechter af. De brutovervangingsratio zou er constant blijven.

Uit het rapport over het effect van pensioenhervormingen blijkt voorts onder meer dat mensen geboren in 1996 dan wel langer zullen werken dan eerdere generaties, maar dat ze ook een langere tijd met pensioen zullen zijn. België is naast Duitsland, Chili, Luxemburg, Polen en Slovenië een van de landen waar de verhouding van de pensioentijd ten opzichte van de totale levensduur het meeste zal toenemen. Gemiddeld gaat het om een stijging van 10 procent in de OESO-landen.

'Om het aandeel van het volwassen leven gespendeerd aan werken en pensioen stabiel te houden, zou de pensioenleeftijd (in de OESO-landen, red.) gemiddeld 67,2 jaar moeten bedragen, tegenover 65,8 jaar op basis van de huidige wetgeving', stelt de organisatie.