Enkele weken geleden raakte bekend dat politicus Karel De Gucht (Open Vld) na een procedureslag die hij meer dan tien jaar lang tegen de Bijzondere Belastinginspectie (BBI) heeft gevoerd, in het gelijk werd gesteld. De Gucht had zich laten filmen voor een tv-programma op zijn domein in Toscane. Na de uitzending startte de BBI een onderzoek naar de financiering van het vakantiehuis. De fondsen bleken afkomstig te zijn van een aandelentransactie, waarna de fiscus een meerwaardebelasting op de aandelentransactie besloot te heffen.

Niet iedere belastingplichtige heeft de middelen om zijn fiscale rechten te doen gelden.

Na een ware fiscale oorlog over de doorbreking van het bankgeheim en het al dan niet abnormale beheer van het privévermogen, die werd uitgevochten tot bij het Hof van Cassatie, besliste de rechter dat Karel de Gucht niets verweten kon worden. Meer zelfs: de rechter kende de familie De Gucht een rechtsplegingsvergoeding van 60.000 euro toe, omdat de BBI onredelijk was geweest.

In Het Laatste Nieuws stelde Karel De Gucht dat hij zijn zaak nooit had gewonnen zonder de dure hulp van gespecialiseerde advocaten. Hij maakte de bedenking dat heel wat mensen de middelen niet hebben om zo'n procedureslag vol te houden, wat volgens hem ondemocratisch is. Die uitspraak slaat de spijker vol op de kop. In theorie kunnen belastingplichtigen een procedure opstarten om zich tegen een taxatie te verzetten, maar vanzelfsprekend is dat niet. Niet alleen moeten ze opboksen tegen een machtig staatsapparaat, de fiscus wordt zelden proceduremoe, waardoor ze het risico lopen meegesleurd te worden in een jarenlange discussie voor de hoven en de rechtbanken. Dat moet je niet alleen mentaal maar ook financieel aankunnen, want procederen kost veel geld. Het doet vragen rijzen over de fiscale gelijkheid van de burgers.

Wie zich wil verzetten tegen een taxatie, moet eerst een administratieve verzetsprocedure bij de administratie doorlopen, alvorens hij zijn zaak aan een rechter kan voorleggen. Uit het jaarverslag van de federale overheidsdienst Financiën blijkt dat de administratie in 2018 69.918 beslissingen over fiscale bezwaarschriften heeft genomen. 30.413 beslissingen stelden de belastingplichtige volledig in het gelijk, en in nog eens 8049 gevallen kreeg hij gedeeltelijk gelijk. Dat betekent dat de belastingheffing bij een fiscaal bezwaar in maar liefst 55 procent van de gevallen geheel of gedeeltelijk wordt tenietgedaan. Dat is toch wel markant.

In theorie kunnen belastingplichtigen een procedure opstarten om zich tegen een taxatie te verzetten, maar vanzelfsprekend is dat niet.

De statistieken tonen ook aan dat belastingplichtigen bij een negatieve beslissing over het bezwaarschrift niet erg geneigd zijn nog naar de rechter te stappen. Zo leert het jongste jaarverslag dat 20.187 beslissingen van de fiscus geheel of gedeeltelijk in het nadeel van de belastingplichtige zijn uitgesproken in 2018. Slechts 2148 van die dossiers, of 10,6 procent, werden voor de rechter gebracht. Dat kan verschillende redenen hebben, maar de ervaring leert dat velen de moed of de financiële middelen niet hebben om een gerechtelijke procedure tegen de fiscus aan te spannen. Toch heeft zo'n procedure een goede kans op slagen. In 2018 werden 2245 gerechtelijke uitspraken gedaan in fiscale zaken. In 629 gevallen (28%) stelde de rechter de belastingplichtige geheel of gedeeltelijk in het gelijk.

Karel De Gucht heeft dus een punt als hij stelt dat de fiscale rechtsbescherming ondemocratisch is en dat niet iedere belastingplichtige de middelen heeft om zijn fiscale rechten te doen gelden. Het vermijden van fiscale geschillen - die, en dat wordt vaak vergeten, ook zwaar wegen op de federale overheidsdienst Financiën - zou dan ook een topprioriteit van de volgende regering moeten zijn.

Zo kan de Fiscale Bemiddelingsdienst vandaag enkel tussenbeide komen als de belastingplichtige een geschillenprocedure heeft opgestart. Dat is contraproductief. Waarom kan die dienst niet proactief optreden en bemiddelen tussen de belastingplichtige en de fiscus tijdens de taxatiefase voorafgaand aan de belastingheffing? Dat zou de belastingplichtige en de fiscus veel leed besparen.

Enkele weken geleden raakte bekend dat politicus Karel De Gucht (Open Vld) na een procedureslag die hij meer dan tien jaar lang tegen de Bijzondere Belastinginspectie (BBI) heeft gevoerd, in het gelijk werd gesteld. De Gucht had zich laten filmen voor een tv-programma op zijn domein in Toscane. Na de uitzending startte de BBI een onderzoek naar de financiering van het vakantiehuis. De fondsen bleken afkomstig te zijn van een aandelentransactie, waarna de fiscus een meerwaardebelasting op de aandelentransactie besloot te heffen. Na een ware fiscale oorlog over de doorbreking van het bankgeheim en het al dan niet abnormale beheer van het privévermogen, die werd uitgevochten tot bij het Hof van Cassatie, besliste de rechter dat Karel de Gucht niets verweten kon worden. Meer zelfs: de rechter kende de familie De Gucht een rechtsplegingsvergoeding van 60.000 euro toe, omdat de BBI onredelijk was geweest.In Het Laatste Nieuws stelde Karel De Gucht dat hij zijn zaak nooit had gewonnen zonder de dure hulp van gespecialiseerde advocaten. Hij maakte de bedenking dat heel wat mensen de middelen niet hebben om zo'n procedureslag vol te houden, wat volgens hem ondemocratisch is. Die uitspraak slaat de spijker vol op de kop. In theorie kunnen belastingplichtigen een procedure opstarten om zich tegen een taxatie te verzetten, maar vanzelfsprekend is dat niet. Niet alleen moeten ze opboksen tegen een machtig staatsapparaat, de fiscus wordt zelden proceduremoe, waardoor ze het risico lopen meegesleurd te worden in een jarenlange discussie voor de hoven en de rechtbanken. Dat moet je niet alleen mentaal maar ook financieel aankunnen, want procederen kost veel geld. Het doet vragen rijzen over de fiscale gelijkheid van de burgers.Wie zich wil verzetten tegen een taxatie, moet eerst een administratieve verzetsprocedure bij de administratie doorlopen, alvorens hij zijn zaak aan een rechter kan voorleggen. Uit het jaarverslag van de federale overheidsdienst Financiën blijkt dat de administratie in 2018 69.918 beslissingen over fiscale bezwaarschriften heeft genomen. 30.413 beslissingen stelden de belastingplichtige volledig in het gelijk, en in nog eens 8049 gevallen kreeg hij gedeeltelijk gelijk. Dat betekent dat de belastingheffing bij een fiscaal bezwaar in maar liefst 55 procent van de gevallen geheel of gedeeltelijk wordt tenietgedaan. Dat is toch wel markant.De statistieken tonen ook aan dat belastingplichtigen bij een negatieve beslissing over het bezwaarschrift niet erg geneigd zijn nog naar de rechter te stappen. Zo leert het jongste jaarverslag dat 20.187 beslissingen van de fiscus geheel of gedeeltelijk in het nadeel van de belastingplichtige zijn uitgesproken in 2018. Slechts 2148 van die dossiers, of 10,6 procent, werden voor de rechter gebracht. Dat kan verschillende redenen hebben, maar de ervaring leert dat velen de moed of de financiële middelen niet hebben om een gerechtelijke procedure tegen de fiscus aan te spannen. Toch heeft zo'n procedure een goede kans op slagen. In 2018 werden 2245 gerechtelijke uitspraken gedaan in fiscale zaken. In 629 gevallen (28%) stelde de rechter de belastingplichtige geheel of gedeeltelijk in het gelijk.Karel De Gucht heeft dus een punt als hij stelt dat de fiscale rechtsbescherming ondemocratisch is en dat niet iedere belastingplichtige de middelen heeft om zijn fiscale rechten te doen gelden. Het vermijden van fiscale geschillen - die, en dat wordt vaak vergeten, ook zwaar wegen op de federale overheidsdienst Financiën - zou dan ook een topprioriteit van de volgende regering moeten zijn. Zo kan de Fiscale Bemiddelingsdienst vandaag enkel tussenbeide komen als de belastingplichtige een geschillenprocedure heeft opgestart. Dat is contraproductief. Waarom kan die dienst niet proactief optreden en bemiddelen tussen de belastingplichtige en de fiscus tijdens de taxatiefase voorafgaand aan de belastingheffing? Dat zou de belastingplichtige en de fiscus veel leed besparen.