Iedereen heeft bij een bank of een verzekeraar wel eens een product gekocht om in de een of andere fiscale koterij een belastingvoordeel te krijgen. Is het geen hypothecaire lening, dan zal het wel een spaarboekje of een tak21-contract zijn, een pensioenspaarproduct of een rechtsbijstandsverzekering. Als dat een fiscale miskoop blijkt te zijn, is het hof van beroep van Luik van oordeel dat het product retroactief nietig kan worden verklaard en dat de cliënt zijn geld moet terugkrijgen.

Een vennootschap sloot in het voordeel van haar bedrijfsleider een individuele pensioentoezegging (IPT) af. Ze stortte pensioenpremies aan een verzekeraar, die fiscaal aftrekbaar zijn. De bedrijfsleider krijgt bij zijn pensionering een kapitaal dat aantrekkelijk wordt belast, soms maar tegen 10 procent. Een IPT afsluiten is altijd fiscaal geïnspireerd. De hoogte van het pensioenkapitaal dat kan worden opgebouwd, wordt begrensd door de 80 procentregel. Kort door de bocht mag het totaal van het wettelijke en aanvullende pensioen niet meer bedragen dan 80 procent van de normale bezoldiging van de bedrijfsleider. In de zaak die aan het hof werd voorgelegd, oordeelde de fiscus dat het pensioen veel te hoog was en weigerde de aftrek van een deel van de premie.

Na een fiscale miskoop kun je je geld terugkrijgen.

De inspecteur had vastgesteld dat de eerste tien maanden van het jaar een bezoldiging van 3000 euro was betaald en dat die in november plots werd verhoogd naar 7000 euro, met terugwerkende kracht tot januari. Begin december, twee weken later, werd een IPT afgesloten waarbij voor het volledige jaar werd uitgegaan van de verhoogde bezoldiging van 7000 euro. De inspecteur wilde enkel rekening houden met het verhoogde loon voor de laatste twee maanden en verwierp dus een deel van de premies. De inhaaloperatie had volgens hem een uitzonderlijk karakter, het waren geen regelmatige en normale bezoldigingen. Het hof sloot zich bij dat standpunt aan. We gaan niet in op de techniek, maar wel op de interessante niet-fiscale gevolgen die het hof eraan verbindt.

Al vanaf het begin van de procedure had de vennootschap aan de verzekeraar laten weten dat de fiscale aftrekbaarheid voor haar een essentieel bestanddeel van de IPT was. Als de rechter zou besluiten dat de premies niet aftrekbaar waren, zou er sprake zijn van dwaling, waardoor de overeenkomst nietig zou zijn en de premies moesten worden terugbetaald. Een overeenkomst is nietig als er gedwaald wordt over het voorwerp van de overeenkomst, als de dwaling betrekking heeft op een aspect dat een partij er net toe heeft aangezet te contracteren. Het moet dus over de hoofdzaak gaan, het moet iets fundamenteels zijn, zonder dat element zou de overeenkomst niet zijn afgesloten. Een detail of een bijkomstigheid is onvoldoende om van dwaling te kunnen spreken.

De verzekeraar betwistte dat en voerde aan dat de fiscale aftrekbaarheid geen deel uitmaakte van het contract. De aftrek staat volgens hem enkel in de fiscale wetgeving en heeft geen link met het contract. Het hof maakt daar korte metten mee. Verzekeraars slijten IPT's net omwille van het fiscale voordeel. Dan zeggen dat dat voordeel geen verband houdt met het contract, vindt het hof niet serieus en niet realistisch. Zo werd in het verzekeringsaanbod expliciet gezegd dat de IPT een oplossing bood voor fiscale optimalisatie en er werd een gedetailleerde 80 procentberekening toegevoegd. Die was gebaseerd op de informatie over de retroactieve aanpassing van de bezoldiging. De verzekeraar wist dus wat er gebeurd was. Daarom besloot het hof dat de fiscale aftrekbaarheid een substantieel element was.

En voor de lezers-juristen , de disclaimer waarbij de verzekeringsnemer erkent dat hij de 80 procentgrens respecteert, brengt geen soelaas. De wetgeving is te complex, de verzekeraar moet beter weten. De verzekeraar kan ook niet eisen dat de cliënt dan maar een ruling had moeten vragen. Het contract is nietig, basta, met retroactieve gevolgen van dien, stelt het hof.

Iedereen heeft bij een bank of een verzekeraar wel eens een product gekocht om in de een of andere fiscale koterij een belastingvoordeel te krijgen. Is het geen hypothecaire lening, dan zal het wel een spaarboekje of een tak21-contract zijn, een pensioenspaarproduct of een rechtsbijstandsverzekering. Als dat een fiscale miskoop blijkt te zijn, is het hof van beroep van Luik van oordeel dat het product retroactief nietig kan worden verklaard en dat de cliënt zijn geld moet terugkrijgen. Een vennootschap sloot in het voordeel van haar bedrijfsleider een individuele pensioentoezegging (IPT) af. Ze stortte pensioenpremies aan een verzekeraar, die fiscaal aftrekbaar zijn. De bedrijfsleider krijgt bij zijn pensionering een kapitaal dat aantrekkelijk wordt belast, soms maar tegen 10 procent. Een IPT afsluiten is altijd fiscaal geïnspireerd. De hoogte van het pensioenkapitaal dat kan worden opgebouwd, wordt begrensd door de 80 procentregel. Kort door de bocht mag het totaal van het wettelijke en aanvullende pensioen niet meer bedragen dan 80 procent van de normale bezoldiging van de bedrijfsleider. In de zaak die aan het hof werd voorgelegd, oordeelde de fiscus dat het pensioen veel te hoog was en weigerde de aftrek van een deel van de premie. De inspecteur had vastgesteld dat de eerste tien maanden van het jaar een bezoldiging van 3000 euro was betaald en dat die in november plots werd verhoogd naar 7000 euro, met terugwerkende kracht tot januari. Begin december, twee weken later, werd een IPT afgesloten waarbij voor het volledige jaar werd uitgegaan van de verhoogde bezoldiging van 7000 euro. De inspecteur wilde enkel rekening houden met het verhoogde loon voor de laatste twee maanden en verwierp dus een deel van de premies. De inhaaloperatie had volgens hem een uitzonderlijk karakter, het waren geen regelmatige en normale bezoldigingen. Het hof sloot zich bij dat standpunt aan. We gaan niet in op de techniek, maar wel op de interessante niet-fiscale gevolgen die het hof eraan verbindt. Al vanaf het begin van de procedure had de vennootschap aan de verzekeraar laten weten dat de fiscale aftrekbaarheid voor haar een essentieel bestanddeel van de IPT was. Als de rechter zou besluiten dat de premies niet aftrekbaar waren, zou er sprake zijn van dwaling, waardoor de overeenkomst nietig zou zijn en de premies moesten worden terugbetaald. Een overeenkomst is nietig als er gedwaald wordt over het voorwerp van de overeenkomst, als de dwaling betrekking heeft op een aspect dat een partij er net toe heeft aangezet te contracteren. Het moet dus over de hoofdzaak gaan, het moet iets fundamenteels zijn, zonder dat element zou de overeenkomst niet zijn afgesloten. Een detail of een bijkomstigheid is onvoldoende om van dwaling te kunnen spreken. De verzekeraar betwistte dat en voerde aan dat de fiscale aftrekbaarheid geen deel uitmaakte van het contract. De aftrek staat volgens hem enkel in de fiscale wetgeving en heeft geen link met het contract. Het hof maakt daar korte metten mee. Verzekeraars slijten IPT's net omwille van het fiscale voordeel. Dan zeggen dat dat voordeel geen verband houdt met het contract, vindt het hof niet serieus en niet realistisch. Zo werd in het verzekeringsaanbod expliciet gezegd dat de IPT een oplossing bood voor fiscale optimalisatie en er werd een gedetailleerde 80 procentberekening toegevoegd. Die was gebaseerd op de informatie over de retroactieve aanpassing van de bezoldiging. De verzekeraar wist dus wat er gebeurd was. Daarom besloot het hof dat de fiscale aftrekbaarheid een substantieel element was. En voor de lezers-juristen , de disclaimer waarbij de verzekeringsnemer erkent dat hij de 80 procentgrens respecteert, brengt geen soelaas. De wetgeving is te complex, de verzekeraar moet beter weten. De verzekeraar kan ook niet eisen dat de cliënt dan maar een ruling had moeten vragen. Het contract is nietig, basta, met retroactieve gevolgen van dien, stelt het hof.