Ter voorbereiding van het economische programma van de groene partij Agalev schreef ik in 1983 een ontwerptekst onder de titel De fiscale zekerheid.

De idee was een aantal basisuitkeringen van de sociale zekerheid te 'fiscaliseren', ze met andere woorden te financieren uit fiscale bijdragen, uit algemene belastingen dus, in plaats van uit sociale bijdragen.

De last van sommige uitkeringen, het kindergeld om te beginnen, zou verschuiven van heffingen op beroepsinkomsten (arbeid) naar heffingen op consumptie (btw en accijnzen) of naar de algemene inkomstenbelasting, die ook drukt op inkomsten uit vermogen. Anderen spraken in dat verband van een 'alternatieve financiering van de sociale zekerheid'.

Zwart geld

Maar de regering-Martens V, met de Gentse liberaal Willy De Clercq op Financiën, was ons te snel af. Om te beginnen voerde zij een 'fiscale zekerheid' in, maar dan wel met een compleet andere betekenis dan wat wij voor ogen hadden. Die fiscale zekerheid was een uitnodiging om met zwart geld boven water te komen. Dat geld moest men investeren in Belgische bedrijven en daarnaast moest men een elfde beleggen in renteloze schatkistcertificaten op vijf jaar. Daarmee kon men de zekerheid afkopen dat de fiscus hen met rust zou laten en men geen aanslag zou krijgen op 'tekenen en indiciën'.

De regering stelde ook de financiering van de sociale zekerheid veilig met een drastische verhoging van de sociale bijdragen. Drie jaar na elkaar (1984, 1985 en 1986) werd een loonindexering van 2 procent afgeroomd en toegevoegd aan de werkgeversbijdragen. Daarmee kreeg ons land de hoogste belasting op arbeid. Pas na drie decennia, onder de regering-Michel, wordt een en ander voorzichtig teruggedraaid en wordt de verschuiving georganiseerd die wij voor ogen hadden.

Na dertig jaar is het begrip 'fiscale zekerheid' verjaard en vergeten en kan ik er opnieuw voor pleiten het de betekenis te geven van het jongere zusje van de sociale zekerheid. Een en ander is al vaak onder andere benamingen voorgesteld.

'Na dertig jaar is het begrip 'fiscale zekerheid' verjaard en vergeten'

Zo bijvoorbeeld de negatieve inkomstenbelasting (Milton Friedman, 1962) of het basisinkomen (Agalev, 1985; Vivant, 1997; Nele Lijnen van Open Vld, 2016). De jongste tijd duikt de idee weer vaker op, in allerlei vormen. De linkse varianten beloven daarbij vaak dubbel zoveel uitkering als de meer voorzichtige rechtse voorstellen.

Stel dat de minimumbedragen van de sociale zekerheid op dit ogenblik bij benadering de volgende zijn: 200 euro voor een kind, 1100 euro voor een alleenstaande en 1300 euro voor een oudere (65+). In mijn voorstel zou de helft daarvan ongeveer het bedrag voor de fiscale zekerheid zijn.

Fiscale zekerheid

Die helft, de basis, zou onvoorwaardelijk toekomen aan elke legale rijksinwoner. De andere helft zou verbonden blijven aan de voorwaarden van de sociale zekerheid of het leefloon. In bepaalde gevallen zouden die voorwaarden zelfs strikter kunnen worden gesteld. Een hogeschoolstudent die niet meer thuis woont bijvoorbeeld, zou geen leefloon en studiebeurs meer krijgen maar zou het moeten redden met zijn fiscale zekerheid.

Voor de kinderen ten laste is dit systeem al embryonaal van kracht. Sinds 2002 is de oude belastingvermindering voor kinderen ten laste omgevormd in een belastingkrediet van 440 euro per jaar. Dat betekent dat ouders zonder inkomen of met een inkomen onder het belastbaar minimum, die som onvoorwaardelijk als uitkering krijgen van de belastingdienst. Om daarbovenop het kindergeld van de sociale zekerheid te krijgen, moeten zij op een of andere manier aangesloten zijn en aan de voorwaarden voldoen.

Een ander systeem dat we sinds 2002 kennen is het belastingkrediet voor lage inkomsten. Ook daar kan men een belasting 'terugkrijgen' die men nooit heeft betaald. Dat geldt ook voor zelfstandigen die een laag inkomen declareren. Nu bedraagt dat terugbetaalbare krediet maximaal 680 euro per aanslagjaar. Er moet wel nog wat gebeuren om daarvan een maandelijkse zekerheid te maken.

De eerste kleine stapjes naar een fiscale zekerheid zijn dus gezet. Onlangs betoogden de vakbonden voor een basispensioen van 1500 euro. Laten we zeggen dat we de helft daarvan fiscaal kunnen financieren, zelfs zonder volledige voorafgaande loopbaan. De andere helft zal men toch nog via een sociaal statuut en sociale bijdragen moeten verdienen.