Eind deze maand heb ik veertig jaar dienst bij de belastingen. Tijd voor een kleine geschiedenis onder veertien ministers en twaalf staatssecretarissen. We zijn begonnen met hoge tarieven: 48 procent vennootschapsbelasting, 76 procent personenbelasting en 85 procent successierechten. Bovendien had de linkse regering-Lefèvre (CVP-BSP) in 1964 het Wetboek van de Inkomstenbelasting ingevoerd, met als belangrijkste vernieuwing dat voortaan het 'totale inkomen' belastbaar was, tegen een progressief tarief.
...

Eind deze maand heb ik veertig jaar dienst bij de belastingen. Tijd voor een kleine geschiedenis onder veertien ministers en twaalf staatssecretarissen. We zijn begonnen met hoge tarieven: 48 procent vennootschapsbelasting, 76 procent personenbelasting en 85 procent successierechten. Bovendien had de linkse regering-Lefèvre (CVP-BSP) in 1964 het Wetboek van de Inkomstenbelasting ingevoerd, met als belangrijkste vernieuwing dat voortaan het 'totale inkomen' belastbaar was, tegen een progressief tarief. In 1985 liet ik in het economisch programma van de groene partij Agalev inschrijven dat die hoge tarieven naar beneden konden, maar dat de gaten wel moesten worden gedicht. Het eerste deel van ons programma werd doorgevoerd onder de liberale ministers De Clercq en Grootjans. Het tweede deel niet: de roerende voorheffing werd opnieuw afgezonderd. Dat heette 'bevrijding' en het was meer dan een halvering van de belasting. Toch voelde niemand zich geroepen met zijn geld uit Luxemburg terug te keren. Onder de christendemocratische ministers Eyskens (tweede keer), Maystadt en Viseur (1985-1999) was het veeleer rustig op Financiën. Het was de tijd van hoge intrestvoeten met twee cijfers. De banken konden zich veel permitteren, want de overheid wilde haar geldschieters niet afschrikken. De daling van de hoogste tarieven werd voorzichtig voortgezet, maar doordat de schalen niet altijd werden geïndexeerd, belandde de middenmoot geruisloos in een hogere schijf. De vennootschapsbelasting werd stukken voordeliger en honderdduizenden richtten een vennootschap op. In 1992 werd in de vennootschapsbelasting ook nog de meerwaarde op aandelen vrijgesteld, om winsten naar België te lokken. Mijn begin bij de BBI midden jaren negentig herinner ik me als de jaren van de btw-carrousels, kasgeldvennootschappen en koppelbazen. Snelle jongens gingen met btw, vennootschapsbelasting en loonbijdragen aan de haal, en als wij erachter kwamen, waren de vogels gevlogen. Vennootschappen met fiscale en sociale schulden werden leeg achtergelaten op een sterfhuisadres, met een stroman als bestuurder. In 1996 was er het eerste grote lek. Iemand kopieerde bij KB-Lux meer dan 8000 rekeningen, die bij de BBI terechtkwamen. De meeste rekeninghouders kwamen ervan af met een regularisatie tussen 6 en 9 procent. Dat werd het model voor de allereerste eenmalige bevrijdende aangifte in 2004. Maar weinigen gingen erop in. Het was nog niet doorgedrongen dat het Hof van Cassatie had geoordeeld dat alle witgewassen kapitalen in aanmerking kwamen voor verbeurdverklaring. Tegen het einde van de vorige eeuw was de totale belastingdruk opgelopen tot een onwaarschijnlijke 46 procent van het bruto binnenlands product. In het zog van Nederland en Luxemburg organiseerden onze paarse regeringen nieuwe maatregelen om kapitaal naar het land te lokken: notionele-intrestaftrek, infokaprulings, excessprofitrulings en goedkope regularisaties. De discrepantie tussen het toegeeflijke beleid en de fraudebestrijding groeide telkens als we met de BBI een gaatje probeerden te dichten. Als de belastingdruk onder twaalf jaar Reynders gelijk bleef, wil dat zeggen dat aan het eind sommigen minder en anderen meer belasting betaalden. Dat was ook een taxshift, maar dan wel een die dringend een verschuiving in de andere richting nodig maakte. Met de komst van Vanackere als minister en Crombez als staatssecretaris in december 2011 behoorde die omgekeerde shift tot de mogelijkheden. Maar de eerste aandacht ging naar allerlei voordelen die de zwaar belaste werkgevers hadden bedacht voor hun werknemers. Dat was niet zo'n goede keuze. Wij probeerden de aandacht te leggen op niet-belaste winsten, rekeningen en spaarverzekeringen in het buitenland. De regering volgde dat wel, ondanks het tegenstribbelen van de rechtse coalitiepartner. Met de vervanging van Vanackere door Geens in maart 2013 verslapte die aandacht. Van de regering ging geen enkele aansporing uit voor de regularisatie van de bergen zwart geld in het buitenland. Zo komen we bij Johan Van Overtveldt. Hij is de eerste minister onder wiens bewind de belastingdruk daalt. Hij heeft enkele frisse ideeën over fraude op papier gezet en een nieuwe ernstige regularisatiemogelijkheid geopend. Over de mindere kanten hebben we het nu even niet, want het blad is vol.