De premies van een levensverzekering geven in principe recht op een belastingvoordeel van 30 à 40 procent (plus de uitgespaarde gemeentebelasting), met een maximum dat voor het inkomstenjaar 2009 op 2080 euro is gelegd. Dat is wat men de 'belastingvermindering langetermijnsparen' noemt, en daarvoor ondertekent u een fiscaal contract bij een verzekeraar.

Maar om het grootste fiscale voordeel te kunnen genieten, is het nodig dat u de premies van een levensverzekering kunt aftrekken als werkelijke beroepskosten. In dat geval is het belastingvoordeel altijd gelijk aan de marginale aanslagvoet in de personenbelasting, dus maximaal 50 procent (plus de uitgespaarde gemeentebelasting). Bovendien is de aftrekbaarheid van de premies dan niet beperkt tot een bepaald bedrag, wat wel het geval is voor het langetermijnsparen. Hoe meer premies u betaalt, hoe hoger de fiscale aftrek oploopt. Belangrijk is wel dat u enkel de premies kunt aftrekken bij levensverzekeringen die dienen als waarborg van een voor uw beroep afgesloten lening. Zo'n schuldsaldoverzekering zal bijvoorbeeld nodig zijn als een vrijeberoeper een lening bij de bank afsluit om een pand te financieren dat hij voor zijn beroep gebruikt.

Wanneer u premies van een dergelijke verzekering wilt aftrekken als werkelijke beroepskosten, dan moet u de fiscus uiteraard wel duidelijk kunnen aantonen dat het verband houdt met uw beroep. 'En dan nog', zegt belastingspecialist Jan De Meyer, coauteur van de Belasting- & Beleggingsgids van uitgeverij Pelckmans. 'In 2001 antwoordde minister van Financiën Didier Reynders (MR) duidelijk "nee" op een parlementaire vraag of dit mag. Maar recent zijn er een aantal rechtspraken geweest die het wel toestonden, en die fluiten de minister terug. Het mag dus in principe. Toch zou ik er niet van uitgaan dat de fiscus dit zomaar zal aanvaarden, en moet u er rekening mee houden dat u duidelijk zult moeten kunnen aantonen waarom het volgens u beroepskosten zijn', aldus De Meyer.

De recente vonnissen zijn wel helder. In het eerste geval ging een arts een lening aan voor de bouw van een woning met praktijkruimte, en sloot hij daarvoor ook een levensverzekering af. De rechtbank in Antwerpen oordeelde op 5 december 2007 dat 'voor zover deze lening werd aangewend voor de financiering van het beroepsdeel van het gebouw, de premies van de levensverzekering eveneens aftrekbaar zijn als beroepskosten'.

Een tweede voorbeeld is dat van een belastingplichtige die een investeringskrediet bij een bank afsloot om een notariaat over te nemen. De bank stelde als voorwaarde voor de lening dat de lener een schuldsaldoverzekering zou afsluiten. De rechtbank in Brussel oordeelde in haar vonnis van 1 februari 2008 dat de premies van de schuldsaldoverzekering aftrekbare beroepskosten waren.

Thomas Verbeke

De premies van een levensverzekering geven in principe recht op een belastingvoordeel van 30 à 40 procent (plus de uitgespaarde gemeentebelasting), met een maximum dat voor het inkomstenjaar 2009 op 2080 euro is gelegd. Dat is wat men de 'belastingvermindering langetermijnsparen' noemt, en daarvoor ondertekent u een fiscaal contract bij een verzekeraar. Maar om het grootste fiscale voordeel te kunnen genieten, is het nodig dat u de premies van een levensverzekering kunt aftrekken als werkelijke beroepskosten. In dat geval is het belastingvoordeel altijd gelijk aan de marginale aanslagvoet in de personenbelasting, dus maximaal 50 procent (plus de uitgespaarde gemeentebelasting). Bovendien is de aftrekbaarheid van de premies dan niet beperkt tot een bepaald bedrag, wat wel het geval is voor het langetermijnsparen. Hoe meer premies u betaalt, hoe hoger de fiscale aftrek oploopt. Belangrijk is wel dat u enkel de premies kunt aftrekken bij levensverzekeringen die dienen als waarborg van een voor uw beroep afgesloten lening. Zo'n schuldsaldoverzekering zal bijvoorbeeld nodig zijn als een vrijeberoeper een lening bij de bank afsluit om een pand te financieren dat hij voor zijn beroep gebruikt. Wanneer u premies van een dergelijke verzekering wilt aftrekken als werkelijke beroepskosten, dan moet u de fiscus uiteraard wel duidelijk kunnen aantonen dat het verband houdt met uw beroep. 'En dan nog', zegt belastingspecialist Jan De Meyer, coauteur van de Belasting- & Beleggingsgids van uitgeverij Pelckmans. 'In 2001 antwoordde minister van Financiën Didier Reynders (MR) duidelijk "nee" op een parlementaire vraag of dit mag. Maar recent zijn er een aantal rechtspraken geweest die het wel toestonden, en die fluiten de minister terug. Het mag dus in principe. Toch zou ik er niet van uitgaan dat de fiscus dit zomaar zal aanvaarden, en moet u er rekening mee houden dat u duidelijk zult moeten kunnen aantonen waarom het volgens u beroepskosten zijn', aldus De Meyer. De recente vonnissen zijn wel helder. In het eerste geval ging een arts een lening aan voor de bouw van een woning met praktijkruimte, en sloot hij daarvoor ook een levensverzekering af. De rechtbank in Antwerpen oordeelde op 5 december 2007 dat 'voor zover deze lening werd aangewend voor de financiering van het beroepsdeel van het gebouw, de premies van de levensverzekering eveneens aftrekbaar zijn als beroepskosten'. Een tweede voorbeeld is dat van een belastingplichtige die een investeringskrediet bij een bank afsloot om een notariaat over te nemen. De bank stelde als voorwaarde voor de lening dat de lener een schuldsaldoverzekering zou afsluiten. De rechtbank in Brussel oordeelde in haar vonnis van 1 februari 2008 dat de premies van de schuldsaldoverzekering aftrekbare beroepskosten waren. Thomas Verbeke