Veel lezers van dit weekblad werken via een vennootschap. Veel van hen lenen bij hun vennootschap of hebben dat ooit gedaan. En bijna allemaal hebben ze bij het afsluiten van het boekjaar, vaak rond deze periode, een verhitte discussie met hun accountant of belastingadviseur over de hoogte van de intrest die ze als ontlener moeten betalen aan hun vennootschap. De adviseur zal dan, met een koninklijk besluit in de hand, vertellen dat ze een rente van 8,94 procent moeten betalen. En als ze die intrest niet betalen, moeten ze belasting en sociale zekerheidsbijdragen betalen op die fictieve rente, en dat wordt al snel 5,5 procent van het ontleende kapitaal. Het woord woekerrente valt meer dan eens. In tijden waarin institutionele ontleners, zoals de Belgische staat, er geld bovenop krijgen, kan dat niet meer worden uitgelegd. De staat leende een paar weken geleden 800 miljoen tegen een negatieve rente van 0,346 procent.

De adviseur moet met hand en tand uitleggen dat alle voordelen die u als bedrijfsleider of werknemer van uw onderneming of werkgever krijgt, belastbaar zijn. Het wetboek vande inkomstenbelastingen bepaalt dat de werkelijke waarde bij de genieter het belastbaar bedrag is. Maar wat is dat precies? Om zaken te waarderen heb je experts nodig. Dan zwijgen we nog over de beoordeling van de waarde die het betekent voor de verkrijger zelf, want dat is natuurlijk altijd subjectief. Daarom heeft de wetgever aan de koning de bevoegdheid gegeven voor veel voorkomende voordelen forfaitaire regels vast te leggen die voor iedereen gelden zonder dat moeilijke oefeningen nodig zijn.

Een van die voordelen is het beschikken over gelden in een rekening-courantverhouding. De koning legt jaarlijks het rentepercentage voor dat voordeel vast. Voor 2018 is dat 8,94 procent. Betaalt men 8,94 procent rente, dan is men niet belastbaar. Betaalt men dat niet, of minder, dan is men op het verschil belastbaar.

Laat de Koning niet langer een woekerrente opleggen.

Een moedige belastingplichtige, ondersteund door een artikel van collega Bart De Cock in Fiscoloog, vond dat hoogst onbillijk en trok naar de rechter. Hij had een commerciële rentevoet van 4,5 procent toegepast, terwijl dat volgens de toenmalige regelgeving forfaitair 9 procent had moeten zijn. Hij meende dat daarop geen belasting verschuldigd was. De fiscale ambtenaar was het daar niet mee eens en ging uit van het principe dura lex sed lex. En dus moest er belasting worden betaald op het verschil van 4,5 procent.

Maar het hof van beroep van Antwerpen heeft de belastingplichtige vorige maand gelijk gegeven. Het hof meent, terecht, dat men de percentages van de Koning maar kan toepassen als de bedrijfsleider of de werknemer ook effectief een voordeel heeft genoten. Het feit dat er een lening is, bewijst op zich niet dat er een voordeel is. Dat is er maar als er geen evenwaardige tegenprestatie is overeengekomen. De forfaitaire intrest kan worden gebruikt als een vermoeden, maar als de belastingplichtige het tegenbewijs levert dat de werkelijke waarde van het voordeel lager ligt, is er geen voordeel. De belastingplichtige is daarin met glans geslaagd, ondersteund door een externe lening en door een waarderingsverslag. Hij kon het tegenbewijs leveren dat de aangerekende rentevoet van 4,5 procent marktconform was. Dat arrest sluit aan bij wat de Raad van State onlangs heeft geschreven. Volgens de Raad wil de wetgever dat de koning de werkelijke waarde zo veel mogelijk benadert.

Dat arrest zal een grote impact hebben. De gesprekken tussen de bedrijfsleider en de belastingadviseur zullen nu vooral over het tegenbewijs gaan. De fiscale geschillen zullen exponentieel stijgen. Daarom een advies aan de volgende minister van Financiën: laat de Koning tot inkeer komen en niet langer een woekerrente opleggen. Introduceer een rentevoet die aansluit bij de markt. Zo zal voor een belastingplichtige het sop de kool niet meer waard zijn om te strijden tegen de fiscus, en wordt er weer een stap gezet richting een meer rechtvaardige fiscaliteit.