Een rode draad in die fiscale hervorming is een taxshift, waarbij de belastingdruk op arbeid moet verschuiven naar een andere fiscale materie. De vraag is naar welke fiscale materie. Her en der duiken stemmen op om de personenbelasting te hervormen naar Nederlands model en te werken met een dual income tax. Dan worden twee poules van inkomsten gecreëerd: een met de arbeidsinkomen en een met de vermogensinkomsten. Voor elk van beide geldt dan een eigen belastingtarief.

Voor de vermogensinkomsten zijn er verschillende mogelijkheden. Het meest eerlijke systeem is de werkelijke vermogensinkomsten te belasten, maar dat heeft als nadeel dat voor elk type vermogen apart een berekeningswijze moet worden bepaald. Dat is zeer complex. Daarom circuleren ook andere mogelijkheden, zoals een vermogensbelasting of een vermogensrendementsbelasting. In het eerste geval wordt het vermogen in kaart gebracht en aan een bepaald tarief onderworpen. Bij een vermogensrendementsbelasting brengt men het vermogen in kaart en gaat men ervan uit dat dit vermogen een zeker rendement heeft opgebracht. Dat forfaitair berekende rendement wordt belast. In feite gaat het om twee gelijkwaardige vormen van belastingheffing, aangezien men ook het belastingtarief in het kader van een vermogensbelasting zal afstemmen op een te verwachten rendement.

Is een vermogensbelasting wel wettelijk?

Het scenario van de vermogensrendementsheffing staat onder druk door een arrest van de Nederlandse Hoge Raad van 24 december 2021. Nederland bepaalt sinds 2017 jaarlijks zowel voor het spaargeld als voor het overige vermogen van de Nederlanders een te belasten rendement op basis van de gemiddelde rendementscijfers van de voorafgaande jaren. Zo werd het rendement voor spaargeld voor 2017 vastgesteld op 1,63 procent en voor het overige vermogen op 5,39 procent. In Nederland vinden heel wat belastingplichtigen dat systeem onrechtvaardig. Wie in werkelijkheid een lager rendement haalt op zijn vermogen dan het forfaitaire rendement, wordt fiscaal benadeeld. Wie in werkelijkheid een hoger rendement haalt dan het forfait, geniet een fiscaal voordeel.

Die rechtsvraag werd voorgelegd aan de Nederlandse Hoge Raad, het equivalent van het Belgische Hof van Cassatie. Daar werd gewezen op het Europese recht op eigendom en op het Europese non-discriminatiebeginsel. De Hoge Raad stelde dat het recht op eigendom geen absoluut recht is, en dat een overheid daaraan afbreuk mag doen, onder andere door belastingen te heffen. Dat mag ze evenwel enkel doen, als daarvoor een wettelijke grondslag bestaat en de inbreuk proportioneel is, oordeelde de Hoge Raad. In de proportionaliteit moet erover worden gewaakt dat er geen sprake is van discriminatie.

Na een analyse van al die beginselen besloot de Hoge Raad dat de Nederlandse vermogensrendementsbelasting in strijd is met het recht op eigendom en discriminerend werkt. Vooral de vaststelling dat het systeem belastingplichtigen enerzijds fiscaal kan bevoordelen en anderzijds fiscaal kan benadelen, bleek een doorn in het oog van de Hoge Raad. De Hoge Raad besloot dat de belastingplichtige die de zaak had aangespannen, enkel kan worden belast op het werkelijke rendement op zijn vermogen, dat lager was dan het forfaitaire rendement.

Deze Nederlandse zaak is een goede barometer voor de fiscale plannen van de regering. Tussen fiscale droom en daad staan nu eenmaal ook mensenrechten in de weg.

Een rode draad in die fiscale hervorming is een taxshift, waarbij de belastingdruk op arbeid moet verschuiven naar een andere fiscale materie. De vraag is naar welke fiscale materie. Her en der duiken stemmen op om de personenbelasting te hervormen naar Nederlands model en te werken met een dual income tax. Dan worden twee poules van inkomsten gecreëerd: een met de arbeidsinkomen en een met de vermogensinkomsten. Voor elk van beide geldt dan een eigen belastingtarief.Voor de vermogensinkomsten zijn er verschillende mogelijkheden. Het meest eerlijke systeem is de werkelijke vermogensinkomsten te belasten, maar dat heeft als nadeel dat voor elk type vermogen apart een berekeningswijze moet worden bepaald. Dat is zeer complex. Daarom circuleren ook andere mogelijkheden, zoals een vermogensbelasting of een vermogensrendementsbelasting. In het eerste geval wordt het vermogen in kaart gebracht en aan een bepaald tarief onderworpen. Bij een vermogensrendementsbelasting brengt men het vermogen in kaart en gaat men ervan uit dat dit vermogen een zeker rendement heeft opgebracht. Dat forfaitair berekende rendement wordt belast. In feite gaat het om twee gelijkwaardige vormen van belastingheffing, aangezien men ook het belastingtarief in het kader van een vermogensbelasting zal afstemmen op een te verwachten rendement.Het scenario van de vermogensrendementsheffing staat onder druk door een arrest van de Nederlandse Hoge Raad van 24 december 2021. Nederland bepaalt sinds 2017 jaarlijks zowel voor het spaargeld als voor het overige vermogen van de Nederlanders een te belasten rendement op basis van de gemiddelde rendementscijfers van de voorafgaande jaren. Zo werd het rendement voor spaargeld voor 2017 vastgesteld op 1,63 procent en voor het overige vermogen op 5,39 procent. In Nederland vinden heel wat belastingplichtigen dat systeem onrechtvaardig. Wie in werkelijkheid een lager rendement haalt op zijn vermogen dan het forfaitaire rendement, wordt fiscaal benadeeld. Wie in werkelijkheid een hoger rendement haalt dan het forfait, geniet een fiscaal voordeel.Die rechtsvraag werd voorgelegd aan de Nederlandse Hoge Raad, het equivalent van het Belgische Hof van Cassatie. Daar werd gewezen op het Europese recht op eigendom en op het Europese non-discriminatiebeginsel. De Hoge Raad stelde dat het recht op eigendom geen absoluut recht is, en dat een overheid daaraan afbreuk mag doen, onder andere door belastingen te heffen. Dat mag ze evenwel enkel doen, als daarvoor een wettelijke grondslag bestaat en de inbreuk proportioneel is, oordeelde de Hoge Raad. In de proportionaliteit moet erover worden gewaakt dat er geen sprake is van discriminatie.Na een analyse van al die beginselen besloot de Hoge Raad dat de Nederlandse vermogensrendementsbelasting in strijd is met het recht op eigendom en discriminerend werkt. Vooral de vaststelling dat het systeem belastingplichtigen enerzijds fiscaal kan bevoordelen en anderzijds fiscaal kan benadelen, bleek een doorn in het oog van de Hoge Raad. De Hoge Raad besloot dat de belastingplichtige die de zaak had aangespannen, enkel kan worden belast op het werkelijke rendement op zijn vermogen, dat lager was dan het forfaitaire rendement.Deze Nederlandse zaak is een goede barometer voor de fiscale plannen van de regering. Tussen fiscale droom en daad staan nu eenmaal ook mensenrechten in de weg.