De voorbije week stond politiek België weer op zijn achterste poten. De federale regering kondigde trots aan dat de zoektocht naar 1,2 miljard euro in twee dagen was geklaard. Dat was deels het gevolg van een financiële meevaller: door de nieuwe berekeningsmodellen van de Bijzondere financieringswet moest het federale niveau 725 miljoen euro minder storten aan de gewesten dan aanvankelijk was begroot. Dat leidde tot consternatie bij de gewesten, die hun begroting zagen ontsporen. Er ontstond een goede oude communautaire rel, waarbij de Vlaamse regering de federale regeringspartijen verweet dat ze onbekwaam waren of schuldig verzuim hadden gepleegd.

Dat de zesde staatshervorming fiscale en budgettaire problemen zou veroorzaken, was op voorhand al zonneklaar. De moeilijke zoektocht naar een politiek compromis over meer fiscale autonomie voor de gewesten heeft geleid tot een draak van een wetgeving, die zo complex is dat zelfs Einstein ervoor zou passen. En er zit een andere cruciale discussie aan te komen: het is maar de vraag of het Vlaams Gewest dit jaar wel gerechtigd is om een aanvullende gewestbelasting op de personenbelasting te heffen.

"Het is maar de vraag of het Vlaams Gewest dit jaar een aanvullende belasting op de personenbelasting kan heffen"

Voor wie nog niet mee is: de zesde staatshervorming heeft de financiële dotaties van de federale overheid aan de gewesten grotendeels afgeschaft. In ruil daarvoor hebben de gewesten de bevoegdheid gekregen om een aanvullende belasting op de personenbelasting te heffen. In feite is dat een belasting op de gereduceerde personenbelasting. De federale personenbelasting wordt eerst verminderd met de zogenoemde autonomiefactor - het percentage van de personenbelasting dat vroeger via een dotatie aan de gewesten werd toegekend.

Die autonomiefactor bedraagt voor de eerste drie jaar 25,99 procent. Met hun nieuwe fiscale autonomie kunnen de gewesten op die gereduceerde personenbelasting de aanvullende gewestbelasting heffen. Als ze hetzelfde niveau aan inkomsten willen behouden als in het dotatiesysteem, moeten ze 35,117 procent aanvullende gewestbelasting heffen op de gereduceerde personenbelasting.

En daar knelt het schoentje, althans voor het Vlaams Gewest. Het Waals en het Brussels Gewest hebben met het decreet van 12 december 2014 en met de ordonnantie van 15 december 2014 netjes voor eind 2014 het tarief van de aanvullende gewestbelasting vastgesteld op 35,117 procent. Het Vlaams Gewest heeft dat niet gedaan. De vraag is nu of dat geen juridisch probleem stelt, en of Vlaanderen dan wel een aanvullende gewestbelasting kan heffen.

De Vlaamse regering zal er ongetwijfeld op wijzen dat de bijzondere wet van 6 januari 2014, die de Bijzondere financieringswet heeft gewijzigd, in het artikel 75 bepaalt dat de aanvullende gewestbelasting wordt vastgesteld op 35,117 procent, tot de gewesten hun eigen regels voor de gewestelijke opcentiemen hebben aangenomen. Dat is correct, maar de vraag is of dat juridisch wel kon. De wet van 6 januari 2014 geeft aan de gewesten de bevoegdheid een aanvullende gewestbelasting op de personenbelasting in te voeren. Dat impliceert dan ook dat de gewesten het tarief van die aanvullende belasting moeten vastleggen en dat de federale wetgever daar geen enkele inspraak meer in heeft.

"Het Vlaams Gewest heeft de belastingplichtige munitie gegeven om tegen de belasting te protesteren"

Op basis van het artikel 170 van de Grondwet kan de federale overheid de fiscale autonomie van de gewesten enkel beperken door noodzakelijke uitzonderingen te bepalen. Het probleem dat zich hier stelt, is dat de federale wetgever geen uitzonderingen op de fiscale autonomie heeft ingevoerd, maar wel het tarief van de aanvullende gewestbelasting heeft vastgelegd. Het gaat dus niet om het noodzakelijk beperken van de fiscale autonomie van de gewesten, zoals de Grondwet voorschrijft. Wel wordt de fiscale autonomie van de gewesten geregeld, en dat is volgens de Grondwet principieel niet mogelijk.

Er valt juridisch dus heel wat voor te zeggen dat enkel de gewesten het tarief van de aanvullende gewestbelasting kunnen bepalen, en niet de federale overheid. Het Waals en het Brussels Gewest hebben dat probleem doorzien en het zekere voor het onzekere genomen. Het Vlaams Gewest heeft dat niet gedaan. Daarmee heeft het Vlaams Gewest onnodige juridische risico's genomen en iedere Vlaamse belastingplichtige munitie gegeven om tegen de belasting te protesteren.