Als een onderneming een woning ter beschikking stelt aan een werknemer of een bedrijfsleider zonder dat die daarvoor huur betaalt, beschouwt de fiscus dat als een voordeel, waarop belasting verschuldigd is. Het belastbare voordeel wordt forfaitair berekend op basis van het kadastraal inkomen van de woning. Er wordt dus niet gekeken naar de werkelijke huurwaarde.
...

Als een onderneming een woning ter beschikking stelt aan een werknemer of een bedrijfsleider zonder dat die daarvoor huur betaalt, beschouwt de fiscus dat als een voordeel, waarop belasting verschuldigd is. Het belastbare voordeel wordt forfaitair berekend op basis van het kadastraal inkomen van de woning. Er wordt dus niet gekeken naar de werkelijke huurwaarde. De fiscale wet maakt een onderscheid tussen de situatie waarin de woning ter beschikking wordt gesteld door een natuurlijk persoon of door een vennootschap. Stel dat een zelfstandige schrijnwerker een woning met een basis kadastraal inkomen van 1000 euro, waarvan hij de eigenaar is, gratis laat gebruiken door zijn werknemer. Omdat de werknemer geen huur betaalt, wordt hij belast volgens de formule: het geïndexeerde kadastraal inkomen x 100/60. Het belastbare voordeel bedraagt dan 1000 euro x 1,7491 (indexatie aanslagjaar 2018) x 100/60 = 2915,16 euro per jaar. Dat bedrag wordt bij het belastbare inkomen van de werknemer gevoegd en belast tegen de marginale aanslagvoet (maximaal 50 %, plus de gemeentebelasting). Elke maand wordt meer bedrijfsvoorheffing ingehouden, waardoor de werknemer een lager nettoloon ontvangt. Alles bij elkaar valt die belasting mee, omdat de maandelijkse huur voor een woning met zo'n kadastraal inkomen hoger is dan de belasting op het voordeel van alle aard. Stel dat de zelfstandige schrijnwerker zijn activiteit uitoefent in een vennootschap en de werknemer de woning gratis mag gebruiken. Omdat de woning ter beschikking wordt gesteld door een rechtspersoon, wordt het belastbare voordeel bepaald volgens een andere formule: het geïndexeerde kadastraal inkomen x 100/60 x 3,8 (of maal 1,25 als het basis kadastraal inkomen van de woning lager is dan 745 euro). De regering-Di Rupo heeft die verhoging met 1,25 of 3,8 in 2011 ingevoerd. In ons voorbeeld is het belastbare voordeel gelijk aan 1000 x 1,7491 - indexatie aanslagjaar 2018 - x 100/60 x 3,8 = 11.077,63 euro per jaar, of 3,8 keer meer dan wanneer de schrijnwerker als natuurlijk persoon de woning ter beschikking stelt. Het is dus begrijpelijk dat bedrijfsleiders die een woning van hun vennootschap gratis gebruiken, zich gediscrimineerd voelen. En als de woning gemeubileerd is, wordt het voordeel van alle aard nog eens verhoogd met twee derde. Nog anders is de situatie waarin een bedrijfsleider het huurcontract privé ondertekent en zijn vennootschap de huur betaalt. De bedrijfsleider wordt dan belast op een geldelijk voordeel, en niet op een voordeel van alle aard. Dat betekent dat hij privé wordt belast op een voordeel dat gelijk is aan de huur die zijn vennootschap afdraagt. Meestal is dat geldelijke voordeel hoger dan het forfaitair berekende voordeel. De bedrijfsleider kan dat oplossen door het contract namens de vennootschap te ondertekenen in zijn hoedanigheid van zaakvoerder. De fiscus verantwoordt het onderscheid in de berekening van het belastbare voordeel door erop te wijzen dat "kaderleden en bedrijfsleiders zich dikwijls in een positie bevinden die hen toelaat om zichzelf de kosteloze beschikking toe te kennen over een luxueuze woning", terwijl gewone werknemers meestal een "bescheiden woning" krijgen. Maar dat onderscheid staat niet in de wet. Daarin wordt alleen een verschil gemaakt naargelang degene die de woning ter beschikking stelt een rechtspersoon of een natuurlijk persoon is. Het hof van beroep in Gent oordeelde in een vonnis van 24 mei 2016 dat het verschil in de berekening van het belastbare voordeel een schending is van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Volgens het hof geven de wetteksten geen objectieve of redelijke verantwoording voor dat onderscheid. Een voordeel van alle aard moet worden beoordeeld op zijn intrinsieke waarde en niet op basis van de identiteit van de verstrekker. Het hof van beroep in Antwerpen kwam in zijn arrest van 24 januari 2017 tot hetzelfde besluit. Een vonnis is enkel van toepassing op het concrete geschil dat aan de rechtbank is voorgelegd, maar toch kan een belastingplichtige die van een rechtspersoon gratis huisvesting krijgt, de arresten gebruiken om de hogere waardering van het belastbare voordeel van alle aard aan te vechten. De voorwaarde is dat hij dat voordeel laat belasten in zijn aangifte voor de personenbelasting. Er zijn twee mogelijkheden om dat te doen. Ofwel waardeert de belastingplichtige het voordeel op 100/60ste van het geïndexeerde kadastraal inkomen van de woning zonder de verhoging met 1,25 of 3,8. Als verantwoording kan hij verwijzen naar de arresten van de hoven van beroep in Gent en Antwerpen. Ofwel waardeert de belastingplichtige het voordeel op 100/60ste van het geïndexeerde kadastraal inkomen, en vermenigvuldigt hij dat bedrag toch met 1,25 of 3,8. Hij ontvangt dan een aanslagbiljet met een hogere berekening van het voordeel. Hij kan die aanslag daarna betwisten door een bezwaarschrift in te dienen binnen de zes maanden na de verzending van het aanslagbiljet en daarin te verwijzen naar de rechtspraak van de hoven van beroep. Die optie verdient de voorkeur, omdat de belastingplichtige op die manier een belastingverhoging uitsluit. De kans is groot dat de argumentatie van de hoven van beroep in Gent en Antwerpen navolging krijgt bij andere rechters. Het wordt voor de fiscus dus moeilijk die rechtspraak naast zich neer te leggen. De Belgische overheid kan nog in cassatie gaan binnen de drie maanden na de betekening van het arrest van het hof van beroep in Antwerpen. Zonder een wijziging van de wet of een uitspraak van het Hof van Cassatie zal de fiscus de huidige wettelijke regels blijven toepassen. De arresten zullen er wel toe leiden dat veel belastingplichtigen die zich benadeeld voelen, een bezwaarschrift indienen om de hogere belasting te vermijden.