De regering lijkt in het zomerakkoord de doos van Pandora te hebben geopend over de voordelen van alle aard. Er zijn geen aanpassingen gebeurd aan de waardering, wel voert het akkoord heel wat nieuwe intrestbepalingen in. Die zijn discriminerend. Als een belastingplichtige te laat betaalt aan de fiscus, draagt hij 2 procentpunt intresten meer af dan wanneer hij geld zou terugvorderen van de belastingdienst.
...

De regering lijkt in het zomerakkoord de doos van Pandora te hebben geopend over de voordelen van alle aard. Er zijn geen aanpassingen gebeurd aan de waardering, wel voert het akkoord heel wat nieuwe intrestbepalingen in. Die zijn discriminerend. Als een belastingplichtige te laat betaalt aan de fiscus, draagt hij 2 procentpunt intresten meer af dan wanneer hij geld zou terugvorderen van de belastingdienst.Het zomerakkoord schrijft ook voor dat als een bedrijfsleider geld leent aan zijn vennootschap, de intrest maximaal de marktrente (4,41%) mag bedragen. Maar als de vennootschap een lening toestaat aan de bedrijfsleider, heft de fiscus belasting als de interest minder dan 8,78 procent bedraagt. Zo'n verschillende behandeling voelt oneerlijk, ongelijk en discriminerend aan. Het Grondwettelijk Hof zal zich daar in de nabije toekomst over buigen. Ook in het buitenland staat de belasting op forfaits onder druk. Een Nederlandse belastingplichtige trok naar de Hoge Raad om het forfaitaire roerende rendement in de box 3, het vak voor de belasting van roerende inkomsten, aan te vechten. Dat rendement ligt hoger dan het echte rendement dat de Nederlandse belastingplichtige vandaag redelijkerwijze op zijn beleggingen kan halen. Hij vond dat strijdig met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.De Procureur-generaal stelde hem in het gelijk. De Nederlandse Hoge Raad bevestigde dat standpunt principieel, maar oordeelde dat het rendement toch nog met de realiteit overeenkomt, aangezien het op middellange termijn moet worden beoordeeld. Die argumenten kunnen ook worden ingeroepen tegen bepaalde aspecten van de Belgische wetgeving.In België heeft de Raad van State zich mogelijk onbewust in dat debat gemengd. De raad moest een advies verstrekken over het koninklijk besluit van 2 november 2017, waarin de forfaitaire waardering van het voordeel van alle aard voor het kosteloze gebruik van pc's, tablets, internetaansluitingen en gsm wordt vastgelegd. Aangezien een voordeel van alle aard per definitie niet geldelijk is, moet de waarde ervan worden vastgesteld om de belastbare grondslag te berekenen.Het Wetboek Inkomstenbelastingen stelt dat die grondslag moet worden berekend op de werkelijke waarde en dan nog in hoofde van de belastingplichtige. Pas als de werkelijke waarde niet eenduidig kan worden vastgesteld, is de koning bevoegd om die voordelen forfaitair te waarderen. Die waarderingen hebben in het verleden al kwaad bloed gezet bij belastingplichtigen. Zij vinden dat die voordelen vaak veel hoger worden gewaardeerd dan de werkelijke waarde.De Raad van State heeft stevige kritiek geformuleerd op de forfaitaire waarderingen. De raad stelt vast dat het de wettelijke opdracht van de koning was de waardering zo dicht mogelijk bij de werkelijke waarde te doen aansluiten. Over de voordelen voor elektronica betwijfelt de Raad van State of de forfaitaire waarde van het voordeel wel de werkelijke waarde benadert. Dat advies was voor het hof van beroep in Antwerpen voldoende om de discussie over de forfaitaire intresten aan te gaan. Die intresten zijn door de koning kennelijk hoger ingeschat dan de marktwaarde. Iedereen houdt de adem in voor wat het hof van beroep van Antwerpen zal oordelen. Dat kan de doos van Pandora van de forfaitaire waardering zijn.Je zou zelfs nog een stapje verder kunnen gaan. De koning mag maar een forfaitaire waardering vaststellen als de werkelijke waarde individueel niet kan worden bepaald. De vraag is of dat niet zo goed als altijd zou kunnen. Ook daarmee kan bijna elke forfaitaire waardering van het voordeel van alle aard ter discussie worden gesteld. Als die redenering wordt gevolgd, is de koning in het ootje genomen door de fiscale wetgever, door hem de bevoegdheid om forfaitair te waarderen ten onrechte te delegeren. Ten slotte zijn er nog drie opmerkingen. Eén: er volgen nog spannende tijden voor de belastingplichtigen die voordelen van alle aard krijgen, en die zijn ontzettend talrijk. Twee: natuurlijk is het niet de koning zelf die de beslissingen neemt. Als de wet die bevoegdheid toewijst aan de koning, wordt daar de regering mee bedoeld. Maar afsluiten doen we met een wijsheid van Frank Zappa: de realiteit is zoals ze is, niet zoals je wilt dat ze is.