Een paar weken geleden werd minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) in het parlement ondervraagd over de terbeschikkingstelling van een pc of een smartphone aan een werknemer. Als die werknemer dat toestel ook voor privédoeleinden mag gebruiken, verkrijgt hij een voordeel dat belastbaar is. Het voordeel bestaat erin dat hij voor dat privégebruik zelf geen pc of smartphone hoeft te kopen. De fiscale en sociale wetgeving ziet die besparing als een bijkomend loon, dat wordt betaald in natura.

"Een eenvormige waardering van de lijst met de forfaitair gewaardeerde voordelen is zeer wenselijk"

Hoeveel die besparing bedraagt, is niet altijd even gemakkelijk te bepalen. Om discussies te vermijden, zijn voor een aantal voordelen forfaitaire bedragen of criteria vastgesteld, bijvoorbeeld voor een bedrijfswagen die een werknemer privé mag gebruiken en een woning die een werkgever gratis ter beschikking stelt aan de werknemer en zijn gezin. Als een werknemer kosteloos een pc voor persoonlijke doeleinden mag gebruiken, wordt de kostenbesparing geschat op 180 euro per jaar. Als de werkgever ook de internetaansluiting betaalt, wordt aangenomen dat de werknemer daardoor jaarlijks nog eens extra 60 euro bespaart. Die besparingen worden beschouwd als een bijkomend loon, zowel voor de heffing van belastingen als voor de inning van sociale bijdragen.

En wat als de werknemer geen pc maar een tablet ter beschikking krijgt die hij privé mag gebruiken? Voor de RSZ maakt het niet uit of de werknemer een pc of een tablet mag gebruiken. In beide gevallen is volgens de dienst sprake van een bijkomend loon van 180 euro per jaar. De fiscale administratie daarentegen heeft voor een tablet nog geen norm vastgelegd. In de loop van vorig jaar liet minister van Financiën Koen Geens (CD&V) verstaan dat een geschatte besparing van 180 euro niet onredelijk is. Maar over de vraag of dat bedrag nu mag - of moet - worden gebruikt als een norm die voor iedereen geldt, sprak hij zich niet uit.

Ook over een smartphone heeft de RSZ een duidelijk standpunt ingenomen: de besparing bedraagt 12,5 euro per maand, dus 150 euro per jaar. De fiscale rulingdienst acht die waarde verdedigbaar, maar tot op heden heeft geen enkele minister van Financiën daarover een duidelijk standpunt ingenomen.

Minister Van Overtveldt kreeg daarover twee vragen voorgelegd. De eerste luidde: wordt het geen tijd dat de bedragen van de fiscale en de sociale wetgeving op elkaar worden afgestemd? De tweede vraag: moeten de bedragen die voor gsm's, smartphones, pc's en tablets circuleren, niet naar benden worden bijgesteld?

Op de eerste vraag antwoordde de minister geruststellend dat overleg aan de gang is tussen de fiscale administratie en de RSZ. Dat heeft nog geen resultaat opgeleverd. Maar als beide administraties het erover eens zijn dat het gratis privégebruik van die toestellen als een extra loon in natura moet worden gezien, dan moet het overleg toch op korte termijn een eensgezind principieel standpunt kunnen opleveren? Op de vraag over de waardering van de voordelen gaf de minister geen expliciet antwoord.

"Een voordeel in natura voor een pc van 180 euro per jaar lijkt in het licht van de gangbare prijzen van zulke toestellen toch wat hoog."

Toch is de kritische opmerking van het parlementslid terecht. Als een werknemer gedurende vier jaar een gsm of een tablet voor professionele en voor private doeleinden gebruikt, en hij volgens de wet door dat gedeeltelijke private gebruik jaarlijks een bijkomend loon van 150 of 180 euro krijgt, dan lijkt die waardering in het licht van de gangbare prijzen van zulke toestellen toch wat hoog.

Misschien gaat het hier om kleine voordelen en kleine bedragen. Maar daartegenover staat dat veel belastingplichtigen die voordelen krijgen en dat er veel tijd en geld aan de berekening van die voordelen wordt gespendeerd. Een actualisering van de lijst met de forfaitair gewaardeerde voordelen en een eenvormige waardering ervan met het oog op een vlotte toepassing in de fiscale en de sociale wetgeving, is daarom zeer wenselijk. Dat is naar onze mening ook perfect haalbaar op korte termijn. Het kan een bescheiden, maar niet onbelangrijk onderdeel zijn van vereenvoudiging van de fiscale praktijk. (Luc Maes)

Een paar weken geleden werd minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) in het parlement ondervraagd over de terbeschikkingstelling van een pc of een smartphone aan een werknemer. Als die werknemer dat toestel ook voor privédoeleinden mag gebruiken, verkrijgt hij een voordeel dat belastbaar is. Het voordeel bestaat erin dat hij voor dat privégebruik zelf geen pc of smartphone hoeft te kopen. De fiscale en sociale wetgeving ziet die besparing als een bijkomend loon, dat wordt betaald in natura. Hoeveel die besparing bedraagt, is niet altijd even gemakkelijk te bepalen. Om discussies te vermijden, zijn voor een aantal voordelen forfaitaire bedragen of criteria vastgesteld, bijvoorbeeld voor een bedrijfswagen die een werknemer privé mag gebruiken en een woning die een werkgever gratis ter beschikking stelt aan de werknemer en zijn gezin. Als een werknemer kosteloos een pc voor persoonlijke doeleinden mag gebruiken, wordt de kostenbesparing geschat op 180 euro per jaar. Als de werkgever ook de internetaansluiting betaalt, wordt aangenomen dat de werknemer daardoor jaarlijks nog eens extra 60 euro bespaart. Die besparingen worden beschouwd als een bijkomend loon, zowel voor de heffing van belastingen als voor de inning van sociale bijdragen. En wat als de werknemer geen pc maar een tablet ter beschikking krijgt die hij privé mag gebruiken? Voor de RSZ maakt het niet uit of de werknemer een pc of een tablet mag gebruiken. In beide gevallen is volgens de dienst sprake van een bijkomend loon van 180 euro per jaar. De fiscale administratie daarentegen heeft voor een tablet nog geen norm vastgelegd. In de loop van vorig jaar liet minister van Financiën Koen Geens (CD&V) verstaan dat een geschatte besparing van 180 euro niet onredelijk is. Maar over de vraag of dat bedrag nu mag - of moet - worden gebruikt als een norm die voor iedereen geldt, sprak hij zich niet uit. Ook over een smartphone heeft de RSZ een duidelijk standpunt ingenomen: de besparing bedraagt 12,5 euro per maand, dus 150 euro per jaar. De fiscale rulingdienst acht die waarde verdedigbaar, maar tot op heden heeft geen enkele minister van Financiën daarover een duidelijk standpunt ingenomen. Minister Van Overtveldt kreeg daarover twee vragen voorgelegd. De eerste luidde: wordt het geen tijd dat de bedragen van de fiscale en de sociale wetgeving op elkaar worden afgestemd? De tweede vraag: moeten de bedragen die voor gsm's, smartphones, pc's en tablets circuleren, niet naar benden worden bijgesteld? Op de eerste vraag antwoordde de minister geruststellend dat overleg aan de gang is tussen de fiscale administratie en de RSZ. Dat heeft nog geen resultaat opgeleverd. Maar als beide administraties het erover eens zijn dat het gratis privégebruik van die toestellen als een extra loon in natura moet worden gezien, dan moet het overleg toch op korte termijn een eensgezind principieel standpunt kunnen opleveren? Op de vraag over de waardering van de voordelen gaf de minister geen expliciet antwoord. Toch is de kritische opmerking van het parlementslid terecht. Als een werknemer gedurende vier jaar een gsm of een tablet voor professionele en voor private doeleinden gebruikt, en hij volgens de wet door dat gedeeltelijke private gebruik jaarlijks een bijkomend loon van 150 of 180 euro krijgt, dan lijkt die waardering in het licht van de gangbare prijzen van zulke toestellen toch wat hoog.Misschien gaat het hier om kleine voordelen en kleine bedragen. Maar daartegenover staat dat veel belastingplichtigen die voordelen krijgen en dat er veel tijd en geld aan de berekening van die voordelen wordt gespendeerd. Een actualisering van de lijst met de forfaitair gewaardeerde voordelen en een eenvormige waardering ervan met het oog op een vlotte toepassing in de fiscale en de sociale wetgeving, is daarom zeer wenselijk. Dat is naar onze mening ook perfect haalbaar op korte termijn. Het kan een bescheiden, maar niet onbelangrijk onderdeel zijn van vereenvoudiging van de fiscale praktijk. (Luc Maes)