Op een receptie in maart bekenden twee beleidsmedewerkers dat de periode tussen het Marrakech-incident in december en de ontbinding van het parlement in het voorjaar wellicht een van de duurste maanden voor de Belgische schatkist zou worden. Met de minderheidsregering-Michel II was het parlement aan zet en daar deed, aldus mijn bron, iedereen het met iedereen.

Ad-hoccoalities die in de verste verte niet verwacht werden, kwamen tot stand. Vooral om cadeaus uit te delen, gaande van de verlaging van de btw tot 15 procent voor de sterilisatie van katten en de aankoop van fietsen, tot de verlaging van de belasting op aanvullende pensioenen naar 10 procent. Het kon niet op, de hoorn des overvloeds liep over. Dat dit niet altijd kwalitatief hoogstaand werk was, verbaast niet. Meer nog: het was vaak kunst- en vliegwerk. Ook die belastingverlaging.

Laten we teruggaan in de tijd. Het Generatiepact in 2005 was de eerste ernstige, maar veel te zwakke poging om mensen langer aan het werk te houden. Een van de maatregelen was mensen die tot 65 jaar bleven werken een verlaagd belastingtarief van 10 procent op hun aanvullende pensioenen te gunnen. Dat heeft geen al te groot positief effect gehad. Het leidde veeleer tot een mattheuseffect.

Op voorstel van Sonja Becq (CD&V) werd unaniem een wet aangenomen die het tarief van 10 procent ook mogelijk maakt voor wie vóór de leeftijd van 65 jaar op pensioen gaat, maar toch een loopbaan van 45 jaar heeft. Een belastingadvocaat is blij met elke belastingverlaging, maar een columnist moet de problemen benoemen. Na een halfjaar kwamen de eerste problemen al aan het licht. Het tarief van 10 procent vereist dat de verkrijger een volledige loopbaan heeft. Maar wat is een volledige loopbaan? Het parlement heeft die steevast gedefinieerd als 45 jaar. We mogen dus aannemen dat dit de bedoeling van de wetgever was.

Een volledige loopbaan: wat is dat?

De vertegenwoordiger van de minister stipte in de bevoegde commissie aan dat de geest van het voorstel ingaat tegen het Generatiepact, en dat de fiscale wet de notie 'loopbaan' niet kent en dat de term moet worden aangepast. Er werd een beetje geluisterd en toegevoegd dat het moet gaan om een volledige loopbaan "volgens de geldende pensioenwetgeving". Maar niet alleen zijn er verschillende pensioenwetgevingen, er is evenmin een duidelijke definitie van 'loopbaan'. Er kunnen hooguit afleidingen worden gemaakt.

De enige afleiding die aansluiting vindt bij de bedoeling van de wetgever en de termijn van 45 jaar, is louter gebruikmaken van een van de drie elementen voor de berekening van het rustpensioen: de duur van een loopbaan met een maximum van 45 jaar. Volgens gezaghebbende auteurs volstaat het voor het bepalen van de loopbaanduur om in een kalenderjaar één dag gewerkt te hebben en sociale bijdragen te hebben betaald om 1/45ste loopbaan op te bouwen.

Maar wat doen de verzekeraars? Zij gaan verder en nemen - fiscaal risicoavers dat ze zijn geworden - enkel de effectief gewerkte dagen in aanmerking. 45 jaar stemt in dat geval overeen met 14.040 dagen, of 312 dagen per jaar, of 52 weken van zes dagen - een relict uit de zesdagenweek. En dan komen heel wat minder mensen in aanmerking. Dat is onverwachts een voldongen feit voor mensen die hun pensioen lieten ingaan en rekenden op 10 procent. Wie bijvoorbeeld vrijwillig deeltijds heeft gewerkt, haalt de 45 jaar wel, maar zelden de 14.040 dagen. Ik kan me niet indenken dat Sonja Becq mensen wilde discrimineren die deeltijds werkten. Zou dat trouwens te verantwoorden zijn?

Ofwel is het dus een kat in een zak. Een groot verpakt cadeau, dat is leeggemaakt door de pensioeninstellingen. Ofwel wordt het correct toegepast en wordt uitsluitend naar het aantal kalenderjaren gekeken waarin de gepensioneerde minstens één dag heeft gewerkt en sociale bijdragen heeft betaald. Dan is dat cadeau, dat weliswaar ingaat tegen de bedoeling van het Generatiepact, volgens het Rekenhof 30 miljoen euro waard.