Sinds de KB Lux-affaire midden jaren negentig volgt de ene fiscale regularisatieronde op de andere. Eerst gebeurde dat schuchter met spontane regularisaties bij lokale controles. De overtreder stelde zich in regel met de Belgische overheid door zijn inkomsten te laten belasten, met een belastingverhoging. Aangezien de behandeling nogal verschilde van regio tot regio, werden uniforme administratieve richtlijnen uitgevaardigd.

Om het eeuwige gat in de begroting te stelpen werd in 2004 de eenmalige bevrijdende aangifte (EBA) in het leven geroepen. In dat jaar konden frauders gelden regulariseren tegen 6 of 9 procent. In ruil kregen ze fiscale en strafrechtelijke immuniteit. In 2006 werd de EBA-bis gelanceerd: als op de belastbare inkomsten alsnog belasting werd betaald (die soms werd verhoogd), kregen de spijtoptanten vanaf dan immuniteit. In 2013 ontdekte de wetgever dat frauderende Belgen bereid waren meer te betalen voor die immuniteit. Dat was tot dan zeker niet het geval. Toen dachten fraudeurs voor eeuwig aan het oog van de fiscus te kunnen ontsnappen. Door de toenemende fiscale gegevensuitwisseling bleek die gedachte van permanente onzichtbaarheid een grote illusie. En dus werd de immuniteit duurder. Bij de EBA-ter in 2013 werd niet alleen in een regularisatie voorzien voor zwarte inkomsten, maar ook voor de verjaarde zwarte kapitalen. Bij de EBA-quater van 2016 werd de immuniteit nog duurder. Plots moesten frauders die immuniteit zochten ook bewijzen dat hun kapitaal wit is. Kunnen zij dat bewijs niet leveren, dan moeten ze een pittig tarief afdragen. Die aflaat kost vandaag 40 procent.

Een overheid die de rechtszekerheid niet kan garanderen, is een roverheid.

Door de opeenvolgende wettelijke witwasoperaties heeft de Belgische overheid vele honderden miljoenen euro's aan extra inkomsten in kas gekregen. Dat is budgettair een goede zaak. Daardoor komt geld in het laatje en wordt geïmmobiliseerd kapitaal in de economie gepompt. Sommigen opperen daar ethische bezwaren tegen. Maar die zijn naïef. Op een heel efficiënte wijze haalt de Belgische overheid grote bedragen op. De Romeinse keizer Vespasianus wist dat de opbrengst van een belasting op openbare toiletten niet stinkt. P ecunia non olet. Ook voor de opbrengst van een fiscale regularisatie geldt dat. De fiscale spijtoptant is zeker ook een winnaar. In ruil voor zijn financiële bijdrage verkrijgt hij immuniteit en dus gemoedsrust.

Maar in de praktijk pakken er heel donkere wolken samen boven de vele tienduizenden fiscale spijtoptanten van de jongste decennia. Zij dreigen een kat in een zak te hebben gekocht met hun betaalde bijdrage. Overijverige banken blijken aan de lopende band regularisaties open te breken. Het feit dat een spijtoptant op grond van de wet strafrechtelijke en fiscale immuniteit heeft gekregen, is voor hen een fait divers. De regularisatie wordt door de banken niet getoetst aan de vroegere wetgeving waarop immuniteit is gegeven. Ze wordt getoetst aan de huidige wetgeving, die veel strenger is. Daardoor wordt vaak 40 procent extra belasting geëist op het historische kapitaal.

Die houding van de banken is onhoudbaar. Als iemand binnen de grenzen van de wet fiscale en strafrechtelijk immuniteit heeft gekregen, kan dat in een rechtstaat nooit meer ter discussie worden gesteld. Een overheid die de rechtszekerheid niet kan garanderen, is een roverheid. Anderzijds kan uiteraard worden nagegaan of de regularisatie beantwoordt aan de toenmalige wettelijke voorwaarden voor immuniteit. Als dat niet het geval is, dringt zich een bijkomende regularisatie op. Maar die toetsing moet gebeuren op grond van spelregels die golden ten tijde van de regularisatie, niet op grond van nieuwe spelregels.

Sinds de KB Lux-affaire midden jaren negentig volgt de ene fiscale regularisatieronde op de andere. Eerst gebeurde dat schuchter met spontane regularisaties bij lokale controles. De overtreder stelde zich in regel met de Belgische overheid door zijn inkomsten te laten belasten, met een belastingverhoging. Aangezien de behandeling nogal verschilde van regio tot regio, werden uniforme administratieve richtlijnen uitgevaardigd. Om het eeuwige gat in de begroting te stelpen werd in 2004 de eenmalige bevrijdende aangifte (EBA) in het leven geroepen. In dat jaar konden frauders gelden regulariseren tegen 6 of 9 procent. In ruil kregen ze fiscale en strafrechtelijke immuniteit. In 2006 werd de EBA-bis gelanceerd: als op de belastbare inkomsten alsnog belasting werd betaald (die soms werd verhoogd), kregen de spijtoptanten vanaf dan immuniteit. In 2013 ontdekte de wetgever dat frauderende Belgen bereid waren meer te betalen voor die immuniteit. Dat was tot dan zeker niet het geval. Toen dachten fraudeurs voor eeuwig aan het oog van de fiscus te kunnen ontsnappen. Door de toenemende fiscale gegevensuitwisseling bleek die gedachte van permanente onzichtbaarheid een grote illusie. En dus werd de immuniteit duurder. Bij de EBA-ter in 2013 werd niet alleen in een regularisatie voorzien voor zwarte inkomsten, maar ook voor de verjaarde zwarte kapitalen. Bij de EBA-quater van 2016 werd de immuniteit nog duurder. Plots moesten frauders die immuniteit zochten ook bewijzen dat hun kapitaal wit is. Kunnen zij dat bewijs niet leveren, dan moeten ze een pittig tarief afdragen. Die aflaat kost vandaag 40 procent. Door de opeenvolgende wettelijke witwasoperaties heeft de Belgische overheid vele honderden miljoenen euro's aan extra inkomsten in kas gekregen. Dat is budgettair een goede zaak. Daardoor komt geld in het laatje en wordt geïmmobiliseerd kapitaal in de economie gepompt. Sommigen opperen daar ethische bezwaren tegen. Maar die zijn naïef. Op een heel efficiënte wijze haalt de Belgische overheid grote bedragen op. De Romeinse keizer Vespasianus wist dat de opbrengst van een belasting op openbare toiletten niet stinkt. P ecunia non olet. Ook voor de opbrengst van een fiscale regularisatie geldt dat. De fiscale spijtoptant is zeker ook een winnaar. In ruil voor zijn financiële bijdrage verkrijgt hij immuniteit en dus gemoedsrust. Maar in de praktijk pakken er heel donkere wolken samen boven de vele tienduizenden fiscale spijtoptanten van de jongste decennia. Zij dreigen een kat in een zak te hebben gekocht met hun betaalde bijdrage. Overijverige banken blijken aan de lopende band regularisaties open te breken. Het feit dat een spijtoptant op grond van de wet strafrechtelijke en fiscale immuniteit heeft gekregen, is voor hen een fait divers. De regularisatie wordt door de banken niet getoetst aan de vroegere wetgeving waarop immuniteit is gegeven. Ze wordt getoetst aan de huidige wetgeving, die veel strenger is. Daardoor wordt vaak 40 procent extra belasting geëist op het historische kapitaal. Die houding van de banken is onhoudbaar. Als iemand binnen de grenzen van de wet fiscale en strafrechtelijk immuniteit heeft gekregen, kan dat in een rechtstaat nooit meer ter discussie worden gesteld. Een overheid die de rechtszekerheid niet kan garanderen, is een roverheid. Anderzijds kan uiteraard worden nagegaan of de regularisatie beantwoordt aan de toenmalige wettelijke voorwaarden voor immuniteit. Als dat niet het geval is, dringt zich een bijkomende regularisatie op. Maar die toetsing moet gebeuren op grond van spelregels die golden ten tijde van de regularisatie, niet op grond van nieuwe spelregels.