Fiscaliteit stuurt ons gedrag. Mensen vermijden hoog belaste handelingen of inkomsten en zoeken belastingvrijstelling en lage belasting op. Daar speelt de overheid op in. Maar als de belastingplichtige zelf initiatieven neemt om zo weinig mogelijk belastingen te betalen, dan heet dat belastingvermijding of -ontduiking. Dat wordt als ongewenst ervaren. De salariswagen, de ster aan het firmament van de attractieve verloningspolitiek, ondervindt dat aan den lijve. Hij staat onder druk, maar hem afschaffen is moeilijk aangezien hij een vorm van verloning uitmaakt. Er zijn branches waarin werkgevers kansloos zijn bij het aantrekken van de competitieve werknemers als de salariswagen geen deel uitmaakt van het loonpakket.

De wetgeving rond inkomsten uit auteursrechten is niet duidelijk.

De afgelopen tien jaar heeft zich een nieuwe ster aan dat firmament aangekondigd: de inkomsten uit auteursrechten. Het belastingtarief daarvoor bedraagt slechts 15 procent tot 61.200 euro (inkomstenjaar 2019). Daarboven geldt het normale belastingtarief, tot 50 procent. Van inkomsten mogen kosten worden afgetrokken en voor auteursrechten geldt ook een aantrekkelijk kostenforfait. Van de eerste schijf van 16.320 euro is de helft vrijgesteld als kosten. Op de volgende schijf van 16.320 euro is dat nog een kwart. Afhankelijk van de omvang van de vergoeding worden de beroepsinkomsten uit auteursrecht dus belast tegen een tarief tussen 7,5 en 12 procent.

Vergoedingen voor auteursrechten worden, net als salariswagens, uitgespeeld bij de werving en de selectie van personeel. Nu al veroorzaakt dat een druk op de arbeidsmarkt. Werkgevers die zulke vergoeding aanbieden hebben een streepje voor. Anders dan een salariswagen, die de werkgever in zo goed als alle omstandigheden en zo goed als elke sector kan aanbieden, kan een vergoeding voor auteursrechten maar worden toegekend als in de werkrelatie auteursrechten worden overgedragen. De regeling is bovendien minder objectief.

Met enige creativiteit kan heel veel onder de noemer van auteursrecht worden geplaatst.

Bij de conceptie van het belastingregime had de wetgever zonder twijfel werken met artistieke inslag voor ogen, zoals boeken, tijdschriftartikels, schilderijen, beeldhouwwerken, toneel, film, scenario's, muziekopnames, choreografieën. Maar de wetgever verslikt zich wellicht in wat het auteursrecht nog omvat, zoals bouwplannen, illustraties, foto's, brochures, bepaalde voordrachten en software. Met enige creativiteit kan heel veel onder die noemer worden geplaatst. Wat er wel en niet onder valt, is dus niet altijd even duidelijk. Een tweede probleem is de vraag wat de correcte waarde van de overdracht van het auteursrecht is. Als al discussie kan bestaan over de vraag wat onder auteursrecht valt, dan kan nog veel meer debat ontstaan over wat de correcte vergoeding ervan is.

Als onzekerheid opdoemt, is de rulingcommissie een veilige haven. Zij geeft rulings af over de vraag of iets onder het auteursrecht valt en wat een gepaste vergoeding is. Maar lang niet ieder getroost zich een trip naar Brussel. Los van het feit dat de rulingcommissie steeds meer bevraagd wordt en misschien op sommige punten al wel overbevraagd is, zou goede wetgeving gewoon eenvoudig en objectief toepasbaar moeten zijn. Dan is ook de controle eenvoudig. Maar dat laatste is allerminst het geval voor de vergoeding van auteursrechten.

De wetgeving is paradoxaal. Ze werd in het leven geroepen om gedrag te sturen: de belastingplichtige moet zich meer inlaten met het creatieve en het creërende. Nu hij de aangewezen richting heeft gevonden, duikt een nieuw gevaar op. De toepassing van het auteursrecht zou in bepaalde gevallen als belastingvermijding of -ontduiking worden gekwalificeerd. Het laat zich aanzien dat de werkgever heel wat verwijten zal krijgen in die discussies. Laten we dan niet vergeten dat de wetgever de regeling heeft gewild en gestimuleerd, én heeft nagelaten een duidelijke wetgeving te creëren.