In binnen- en buitenland komen banken steeds vaker in de problemen doordat ze geld aanvaarden waar in het verleden mogelijk niet alle belasting op is betaald. In eigen land overkwam het onlangs KBC, voordien Degroof-Petercam. Maar waarschijnlijk worden alle banken er vroeg of laat mee geconfronteerd.

In vijftien jaar heeft het financiële bestel een copernicaanse revolutie doorgemaakt. Vandaag wordt aangenomen dat financiële middelen alleen legitiem zijn, als er historisch alle belastingen op zijn afgedragen - of het nu gaat om de belasting op beroepsinkomsten, de roerende voorheffing, de btw of de erfbelasting. Is niet iedere euro betaald, dan heeft het vermogen minstens gedeeltelijk een illegale oorsprong. Dat kan worden rechtgezet met een fiscale regularisatie.

Het mag niet verwonderen dat er heel wat problemen zijn om de historische opbouw van een vermogen correct in te schatten. Maar nog belangrijker is dat de overheid de afgelopen jaren een erg ambigue houding heeft aangenomen tegenover verjaarde belastingen. Dat zijn belastingen die burgers ten onrechte niet hebben betaald, maar die de fiscus niet meer kan belasten binnen de fiscale verjaringstermijnen.

Tot 2000 werd niet wakker gelegen van verjaarde belastingen. De belastingplichtigen met zwart geld op hun Luxemburgse rekeningen die toen werden gevat, kregen van de fiscus een dading van 3 procent voorgesteld. Na betaling achtten ze zich bevrijd van alle zonden en hadden ze dus hun vermogen geregulariseerd. In 2004 volgde de eerste wettelijke fiscale regularisatie: de eenmalige bevrijdende aangifte (EBA). Daarbij betaalde de belastingplichtige naar keuze 6 of 9 procent. Alle fiscale zonden werden onbeperkt in de tijd vergeven. De EBA-wetgeving was tijdelijk. Na afloop was er geen wettelijk kader om belastingen te regulariseren. De belastingplichtige kon zich enkel nog tot de belastingadministratie wenden. Over het regulariseren van historische verjaarde belastingen was veelal geen sprake.

De overheid heeft de afgelopen jaren een erg ambigue houding aangenomen tegenover verjaarde belastingen.

In 2006 werd een nieuw wettelijk kader gecreëerd, dat eind 2013 weer werd afgeschaft. In de laatste zes maanden van 2013 kon de belastingplichtige zich bevrijden van de historische belasting met een allesomvattend tarief van 35 procent. Belastingplichtigen die later tot inkeer kwamen, konden zich wenden tot de lokale controlediensten en de BBI. Ook daar ontstond een officieuze regularisatiepraktijk. Die hield soms wel, en soms niet, rekening met historische belastingen.

Omdat die praktijk geen wettelijke grondslag had en niet als ideaal werd ervaren, werd de wetgeving in 2016 opnieuw aangepast. Daarmee kreeg de belastingplichtige de verplichting de historische belasting te regulariseren, als hij niet kon aantonen dat het vermogen een normale fiscale behandeling had gehad. De mogelijkheid een regularisatie aan te gaan bij de BBI en de andere belastingdiensten werd opgeheven. De aangever moet schriftelijk aantonen dat het vermogen zijn normale fiscale behandeling heeft gehad. Slaagt hij daar niet in, dan is een heffing van 39 procent verschuldigd. De huidige notie van de historische belasting is dus recent. Ze heeft pas sinds de laatste wetswijziging van 2016 haar beslag gekregen in de regularisatiewetgeving.

Van vermogens kan maar zelden een gedetailleerd onderhoudsboekje worden voorgelegd. De wedersamenstelling ervan over vele jaren heen is vaak een huzarenstuk, terwijl het openbaar ministerie elke legale herkomst kan uitsluiten als het een veroordeling voor het witwassen van geld afkomstig uit fiscale fraude nastreeft.

De regularisatiewetgeving is een patchwork van niet altijd coherente benaderingen. Je zult maar bankier zijn en een beoordeling van de legitieme oorsprong van het vermogen van de belastingplichtige moeten maken. De wijze waarop de wetgever in het verleden met de fiscale regularisaties is omgegaan, staat in schril contrast met het inzicht van vandaag. De beoordeling van die fiscale regularisatieregimes is dan ook een voedingsbodem voor onzekerheid en twijfel.

Dus als u een volgende maal in de pers leest over een witwasprobleem bij een bank, bedenk dan dat niet noodzakelijk de bank aan de oorsprong van dat probleem ligt, maar veeleer onze regelgever zelf.