Over het zomerakkoord van de regering-Michel is al heel wat inkt gevloeid. De commentaren gingen vooral over de verlaging van de vennootschapsbelasting, de effectentaks en het onbelaste bijklussen.

Maar het akkoord bevat nog andere fiscale maatregelen waarvan de impact niet te onderschatten valt. Een ervan is de nieuwe regeling voor de fiscale nalatigheids- en moratoriumintresten. Nalatigheidsintresten zijn verschuldigd als een belastingbetaler belastingen niet tijdig betaalt. Moratoriumintresten zijn verschuldigd door de overheid, als ze betaalde belastingen na een geschillenprocedure aan de belastingbetaler moet terugstorten.

De nieuwe regeling voor de fiscale nalatigheids- en moratoriumintresten is een blamage voor de rechtsstaat

Over die intresten is al lang veel te doen. Dat heeft te maken met de tarieven. Als we de historiek van de wetgeving analyseren, blijkt dat de wetgever de nalatigheids- en moratoriumintresten wilde afstemmen op de wettelijke intrestvoet (momenteel 2%).

Maar in werkelijkheid hanteert de fiscus veel hogere intrestvoeten. Voor de inkomstenbelastingen gold tot 1 januari 2018 een intrestvoet van 7 procent per jaar, en voor de btw zelfs een intrestvoet 9,6 procent. In het zomerakkoord werd beslist iets aan die hoge intrestvoeten te doen. Maar de regering heeft enkel de intrestvoeten van de inkomstenbelastingen aangepast. Voor de btw blijft het tarief van 9,6 procent van kracht.

De wet van 25 december 2017 die de vennootschapsbelasting hervormt, schrijft voor dat de nalatigheids- en de moratoriumintresten sinds 1 januari 2018 worden vastgesteld op basis van de gemiddelde referte-index voor lineaire obligaties op tien jaar.

Dat de regering de fiscus bij geschillen in een gunstigere positie plaatst dan de belastingplichtigen, getuigt van weinig respect

Die intrestvoet mag wel nooit lager zijn dan 4 procent of hoger dan 10 procent. Aangezien de gemiddelde intrestvoet voor lineaire obligaties op tien jaar 0,745 procent bedraagt, wordt de fiscale intrestvoet dus opgetrokken tot 4 procent. In de memorie van toelichting staat dat het tarief van 4 procent noodzakelijk is als incentive voor de belastingbetaler om zijn fiscale schulden tijdig te voldoen.

Het is wel opmerkelijk dat de regering een verschillende rentevoet heeft ingevoerd voor de moratoriumintresten: dat tarief moet altijd 2 procent lager zijn dan dat van de nalatigheidsintresten. Wie laattijdig betaalt aan de fiscus, moet dus minstens 4 procent intresten betalen, maar als de fiscus onterecht geïnde belasting moet terugbetalen, is slechts 2 procent moratoriumintresten verschuldigd. Dat is uiteraard onaanvaardbaar en een blamage voor de rechtsstaat. De regering verantwoordt dat onderscheid door te verwijzen naar budgettaire overwegingen. De overheid heeft de voorbije jaren meer moratoriumintresten moeten betalen dan ze aan nalatigheidsintresten heeft kunnen innen.

Als de fiscus de belasting correct heft, is er geen probleem. Maar daar knelt het schoentje

Dat is een bedenkelijke redenering. Als de overheid inderdaad meer moratoriumintresten heeft betaald, mag ze dat niet als een budgettair probleem beschouwen. De overheid draagt alleen moratoriumintresten af als na een geschillenprocedure blijkt dat een belasting onterecht is geïnd. Dat heeft niets met de begroting te maken, maar wel met de kwaliteit van de belastingheffing. Als de fiscus de belasting correct heft, is er geen probleem. Maar daar knelt het schoentje.

Uit het jongste jaarverslag van de federale overheidsdienst Financiën blijkt dat de fiscus in 2016 maar liefst 27.200 bezwaarschriften van belastingplichtigen geheel of gedeeltelijk heeft ingewilligd, terwijl 9156 bezwaren zijn afgewezen. Dat zou voor de regering een ernstig signaal moeten zijn dat de kwaliteit van de belastingheffing te wensen overlaat en ze moet ingrijpen.

Dat de regering via de intrestenregeling de fiscus bij geschillen in een gunstigere positie plaatst dan de belastingplichtigen, getuigt van weinig respect voor de belastingbetaler. Nochtans had de regering in het regeerakkoord opgenomen dat ze werk zou maken van de taxificatie en het nader tot elkaar brengen van de fiscus en de belastingplichtigen. Dat blijken loze woorden te zijn.