Werknemers en bedrijfsleiders krijgen van hun bedrijf niet alleen bezoldigingen, vaak genieten ze ook voordelen in natura - van een renteloze lening, gratis elektriciteit tot een wagen, woning of smartphone die het bedrijf voor privégebruik ter beschikking stelt. Die voordelen zijn voor hen principieel belastbaar als een voordeel van alle aard. Voordelen van alle aard moeten volgens de wet worden belast op de waarde die ze werkelijk hebben voor de verkrijger van het voordeel. Dat is het bedrag dat de werknemer of de bedrijfsleider normaal zou moeten betalen om dat voordeel te verkrijgen.

Voor de uniformiteit, maar vooral om eindeloze discussies te vermijden, worden de meeste belastbare voordelen bij koninklijk besluit forfaitair, op een vast bedrag bepaald. Die KB-forfaits worden als onaantastbaar beschouwd. Zelfs als de reële waarde van het voordeel kan worden aangetoond, wordt de belastingplichtige toch belast op het forfaitaire bedrag, en dat zowel in zijn voordeel, wanneer het forfait lager is dan de werkelijke waarde, als in zijn nadeel, wanneer het forfait de werkelijke waarde van het voordeel overstijgt. Betaalt de werknemer of de bedrijfsleider het reële voordeel terug aan het bedrijf, dan kan het forfaitaire voordeel enkel worden verminderd met die eigen bijdrage.

De minister van Financiën zit tussen hamer en aambeeld.

Het Hof van Antwerpen heeft dat principe doorbroken in zijn arrest van 28 mei 2019. Voor het eerst laat de rechter toe dat de belastingplichtige het forfaitaire voordeel aanvecht, als dat te veel afwijkt van het werkelijke voordeel. De rechter verwijst daarvoor naar het advies dat de Raad van State gaf bij de invoering van de KB-forfaits: "De wetgever kan een voordeel op een vast bedrag ramen, maar hij moet daarbij de werkelijke waarde zo veel mogelijk benaderen." Het betrof een bedrijfsleider die in 2010 geld had geleend van zijn vennootschap. Hij betaalde daarop een rente van 4,5 procent. Maar de fiscus rekende een belastbaar voordeel aan omdat de bedrijfsleider niet de voor dat jaar forfaitair bepaalde rente van 9 procent had betaald. De bedrijfsleider betwiste die 9 procent en toonde aan dat de rente van 4,5 procent marktconform was. De rechter ging daarin mee. Er moet geen belastbaar voordeel worden aangerekend.

Het arrest is baanbrekend omdat het ondubbelzinnig het recht van de belastingplichtige erkent om de forfaitaire waardering van een voordeel van alle aard te betwisten. Maar uiteraard is dat een tweesnijdend zwaard. Als de belastingplichtige het forfaitaire voordeel kan aanvechten, waarom de fiscus dan ook niet?

Die vraag werd vorige maand gesteld aan de minister van Financiën. Zijn antwoord: "Het arrest kan verregaande gevolgen hebben, ook op budgettair vlak. Daarom kan ik vandaag geen sluitend antwoord geven. Mijn administratie onderzoekt momenteel de gevolgen van het arrest. Ze is nog niet tot een conclusie gekomen." Door de mogelijkheid niet meteen te ontkennen dat ook de fiscus zijn forfaits kan betwisten, sluit de minister die mogelijkheid alvast niet uit. Maar dat de fiscus als exponent van de uitvoerende macht regels van de wetgevende macht naast zich zou kunnen neerleggen, lijkt bizar.

Eigenlijk zit de minister tussen hamer en aambeeld. Ofwel sluit hij die mogelijkheid uit en kunnen forfaitaire voordelen enkel in het voordeel van de belastingplichtige worden aangevochten. Dat kost de schatkist op termijn veel geld, zeker als het arrest navolging krijgt. Ofwel laat hij die mogelijkheid toe en opent hij een doos van Pandora naar meer administratieve en juridische geschillen en bijgevolg rechtsonzekerheid. Het is alvast reikhalzend uitkijken naar zijn conclusie.