Een van de meest arbitraire bepalingen van onze fiscaliteit is het artikel 90, 1° van het Wetboek Inkomstenbelasting. Die bepaling, die betrekking heeft op de personenbelasting, voorziet dat inkomsten uit prestaties, verrichtingen of speculatie in de privésfeer, belastbaar zijn als een divers inkomen tegen een belastingtarief van 33 procent. Op die regel is een belangrijke uitzondering: inkomsten uit het "normaal beheer" van het privévermogen zijn van belastingheffing vrijgesteld.

De logische volgende vraag is wat onder het normaal beheer van het privévermogen moet worden begrepen. Daar zegt de fiscale wetgeving niets over. In de fiscale praktijk is dat een van de meest vervelende discussies. Het hoeft niet te verbazen dat de mening van een belastingambtenaar doorgaans verschilt van die van een belastingplichtige. Aangezien de belastbaarheid van een handeling afhangt van een feitelijke en subjectieve beoordeling van een belastingambtenaar, leidt dat onvermijdelijk tot conflicten met de belastingadministratie. Het gaat doorgaans over de belastbaarheid of een belastingvrijstelling van vermogenswinsten met betrekking tot aandelentransacties, vastgoedtransacties, en de jongste jaren ook transacties met cryptomunten (en binnenkort ongetwijfeld ook met NFT's).

In de fiscale wetgeving ontbreekt een definitie van het normaal beheer van het privévermogen.

De interpretatie van wat normaal en abnormaal is, geeft aanleiding tot willekeur. Die vaststelling inspireerde het Hof van Cassatie om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof over de grondwettelijkheid van het artikel 90, 1° van het Wetboek Inkomstenbelasting. Ze stelde de vraag of de bepaling het wettigheidsbeginsel niet schendt, omdat een fiscale wet voorzienbaar en dus voldoende duidelijk moet zijn, zodat de burgers en de ondernemingen in dit land weten wanneer ze wel en niet worden belast op hun inkomen. Het Grondwettelijk Hof deed op 24 februari 2022 uitspraak over de vraag en stelde eigenlijk dat er geen vuiltje aan de lucht is.

Volgens het Grondwettelijk Hof is het begrip "normaal beheer" van het privévermogen voldoende duidelijk, omdat het verwijst naar het handelen van de "goede huisvader" en de "voorzichtige en redelijke persoon". Het beoordelingscriterium van de goede huisvader vormt volgens het Grondwettelijk Hof een voldoende duidelijke, nauwkeurige en ondubbelzinnige bewoording om te bepalen welke handelingen belastbaar zijn en welke niet. Ook het feit dat er een vrij grote beoordelingsbevoegdheid wordt toegekend aan de fiscale administratie deert het Grondwettelijk Hof niet. Het stelt dat de fiscale administratie onder toezicht staat van de rechtscolleges.

Procederen tegen de fiscus is niet voor iedereen weggelegd. Vraag dat maar aan politicus Karel De Gucht.

Dit arrest is de zoveelste fiscale teleurstelling in de rechtspraak. Het artikel 90, 1° van het Wetboek Inkomstenbelastingen is een schoolvoorbeeld van slechte fiscale wetgeving en het is bijzonder jammer dat het Grondwettelijk Hof daaraan voorbijgaat. Een goede wet is een heldere wet, en stelt duidelijk wat belastbaar is en wat niet. Door de belastbaarheid van privé-inkomsten af te laten hangen van een duister criterium als (ab)normaliteit, lokt de onduidelijkheid van de wettekst conflicten uit en worden de fiscale administratie en de belastingplichtigen tot een fiscaal straatgevecht gedwongen. Daar zijn geen van beide partijen mee gediend.

Ook de visie van het Grondwettelijk Hof dat de rechtbank al te ruime interpretaties van abnormaliteit door de fiscale administratie aan banden kan leggen, getuigt van weinig realiteitszin. Procederen tegen de fiscus is niet voor iedereen weggelegd. Vraag dat maar aan politicus Karel De Gucht die in 2019 na een procedureslag van meer dan tien jaar van de rechtbank in Gent te horen kreeg dat hij geen belasting was verschuldigd is op de meerwaarde op de verkoop van een pakket aandelen. Volgens de rechtbank viel die verkoop onder het "normaal beheer" van het privévermogen.

We hebben klare taal nodig, ook in onze fiscaliteit.

Een van de meest arbitraire bepalingen van onze fiscaliteit is het artikel 90, 1° van het Wetboek Inkomstenbelasting. Die bepaling, die betrekking heeft op de personenbelasting, voorziet dat inkomsten uit prestaties, verrichtingen of speculatie in de privésfeer, belastbaar zijn als een divers inkomen tegen een belastingtarief van 33 procent. Op die regel is een belangrijke uitzondering: inkomsten uit het "normaal beheer" van het privévermogen zijn van belastingheffing vrijgesteld. De logische volgende vraag is wat onder het normaal beheer van het privévermogen moet worden begrepen. Daar zegt de fiscale wetgeving niets over. In de fiscale praktijk is dat een van de meest vervelende discussies. Het hoeft niet te verbazen dat de mening van een belastingambtenaar doorgaans verschilt van die van een belastingplichtige. Aangezien de belastbaarheid van een handeling afhangt van een feitelijke en subjectieve beoordeling van een belastingambtenaar, leidt dat onvermijdelijk tot conflicten met de belastingadministratie. Het gaat doorgaans over de belastbaarheid of een belastingvrijstelling van vermogenswinsten met betrekking tot aandelentransacties, vastgoedtransacties, en de jongste jaren ook transacties met cryptomunten (en binnenkort ongetwijfeld ook met NFT's). De interpretatie van wat normaal en abnormaal is, geeft aanleiding tot willekeur. Die vaststelling inspireerde het Hof van Cassatie om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof over de grondwettelijkheid van het artikel 90, 1° van het Wetboek Inkomstenbelasting. Ze stelde de vraag of de bepaling het wettigheidsbeginsel niet schendt, omdat een fiscale wet voorzienbaar en dus voldoende duidelijk moet zijn, zodat de burgers en de ondernemingen in dit land weten wanneer ze wel en niet worden belast op hun inkomen. Het Grondwettelijk Hof deed op 24 februari 2022 uitspraak over de vraag en stelde eigenlijk dat er geen vuiltje aan de lucht is. Volgens het Grondwettelijk Hof is het begrip "normaal beheer" van het privévermogen voldoende duidelijk, omdat het verwijst naar het handelen van de "goede huisvader" en de "voorzichtige en redelijke persoon". Het beoordelingscriterium van de goede huisvader vormt volgens het Grondwettelijk Hof een voldoende duidelijke, nauwkeurige en ondubbelzinnige bewoording om te bepalen welke handelingen belastbaar zijn en welke niet. Ook het feit dat er een vrij grote beoordelingsbevoegdheid wordt toegekend aan de fiscale administratie deert het Grondwettelijk Hof niet. Het stelt dat de fiscale administratie onder toezicht staat van de rechtscolleges.Dit arrest is de zoveelste fiscale teleurstelling in de rechtspraak. Het artikel 90, 1° van het Wetboek Inkomstenbelastingen is een schoolvoorbeeld van slechte fiscale wetgeving en het is bijzonder jammer dat het Grondwettelijk Hof daaraan voorbijgaat. Een goede wet is een heldere wet, en stelt duidelijk wat belastbaar is en wat niet. Door de belastbaarheid van privé-inkomsten af te laten hangen van een duister criterium als (ab)normaliteit, lokt de onduidelijkheid van de wettekst conflicten uit en worden de fiscale administratie en de belastingplichtigen tot een fiscaal straatgevecht gedwongen. Daar zijn geen van beide partijen mee gediend. Ook de visie van het Grondwettelijk Hof dat de rechtbank al te ruime interpretaties van abnormaliteit door de fiscale administratie aan banden kan leggen, getuigt van weinig realiteitszin. Procederen tegen de fiscus is niet voor iedereen weggelegd. Vraag dat maar aan politicus Karel De Gucht die in 2019 na een procedureslag van meer dan tien jaar van de rechtbank in Gent te horen kreeg dat hij geen belasting was verschuldigd is op de meerwaarde op de verkoop van een pakket aandelen. Volgens de rechtbank viel die verkoop onder het "normaal beheer" van het privévermogen. We hebben klare taal nodig, ook in onze fiscaliteit.