Oktober 2019 is een feestmaand voor de Belgische fiscalisten. Op 29 oktober is het precies honderd jaar geleden dat de inkomstenbelasting is ingevoerd met de 'Wet tot vestiging van cedulaire belastingen op de inkomsten en van eene bijkomende belasting op het globaal inkomen'. Inkomstenbelastingen zijn vandaag doodnormaal, maar een eeuw geleden was zo'n stelsel nog revolutionair. De regering had net na de Eerste Wereldoorlog geen andere keus dan zware fiscale maatregelen te nemen. Het nieuwe fiscale stelsel was gebaseerd op een rapport van Jules Ingenbleek, de secretaris van koning Albert I, die op verzoek van de regering een fiscaal hervormingsplan had uitgewerkt. Dat voorzag in directe belastingen op het inkomen, met progressieve tarieven. Volgens Ingenbleek was dat veel rechtvaardiger dan indirecte belastingen, die de kleine man zwaarder troffen. Om het sociale evenwicht in de samenleving te herstellen was het volgens Ingenbleek nodig dat de meest welgestelde Belgen de zwaarste fiscale lasten droegen.

De herverdelende rol van de personenbelasting is op de achtergrond geraakt.

Het nieuwe stelsel van de inkomstenbelastingen bevatte drie afzonderlijke belastingen: op de inkomsten van onroerende goederen, roerende goederen en bedrijfswerkzaamheden. Daarbovenop kwam de zogenoemde supertaxe op het totale belaste bedrag. De belasting op onroerende goederen bedroeg 10 procent van het kadastraal inkomen. Ook de belasting op roerende inkomsten beliep 10 procent. De inkomsten uit bedrijfswerkzaamheden werden progressief belast vanaf 2,6 procent op de eerste schijf van 15.000 Belgische frank tot 10 procent op het deel van het inkomen boven 1 miljoen. Ook de supertaks was een progressief systeem, met een basistarief van 1 procent op het totale inkomen tot 15.000 Belgische frank, tot een tarief van 27,3 procent op de schijf boven 1 miljoen (omgerekend naar vandaag 1,502 miljoen euro). Dat stelsel was een voorbeeld van fiscale rechtvaardigheid, waarbij met een echt progressief systeem aan sociale herverdeling werd gedaan.

Honderd jaar na de invoering van de eerste inkomstenbelastingen en 57 jaar na de jongste grote hervorming heeft het systeem veel van zijn pluimen verloren.

Het systeem bleef van toepassing tot de volgende grote fiscale hervorming in 1962, toen het werd vervangen door het huidige stelsel van de geglobaliseerde inkomstenbelastingen. In de personenbelasting geldt een progressief tarief op de vier categorieën inkomsten: de onroerende, de roerende, de beroeps- en de diverse inkomsten. Ook hier hanteerde de wetgever in 1962 brede belastingschijven om de hogere inkomensklassen stelselmatig meer te doen bijdragen. De tarieven klommen van 11 procent tot 160.000 Belgische frank, tot 55 procent voor wie meer dan 5 miljoen aan inkomsten had verkregen. Omgerekend naar 2019 zou dat toptarief pas van toepassing zijn op de schijf van meer dan 912.000 euro.

Honderd jaar na de invoering van de eerste inkomstenbelastingen en 57 jaar na de jongste grote hervorming heeft het systeem veel van zijn pluimen verloren. Terwijl de founding fathers een echt sociaal rechtvaardige belasting wilden invoeren, moeten we vaststellen dat het systeem niet meer aan die doelstelling beantwoordt. Dat komt door de vele vrijgestelde inkomsten, de almaar uitdijende lijst van inkomsten die tegen vaste tarieven worden belast, en vooral door de gestage uitholling van de progressiviteit, waardoor belastingplichtigen al vanaf de schijf van 39.660 euro tegen het toptarief van 50 procent worden belast. Als we daarnaast ook nog rekening houden met de vervennootschappelijking van veel beroepen, kun je enkel maar concluderen dat de herverdelende rol van de personenbelasting op de achtergrond is geraakt. Het wordt dan ook hoog tijd om weer eens na te denken over de fundamenten van ons fiscaal systeem. Maar ondertussen: proost!