Het is bijna een landmark geworden: de stellingen rond het Justitiepaleis aan het Poelaertplein in Brussel. Het gebouw staat al veertig jaar in de steigers. De stellingen staan er zo lang dat ze niet meer veilig zijn voor de arbeiders die het gebouw onder handen moeten nemen. Ze worden dus vervangen, raakte in maart bekend. Kostprijs: 1,5 miljoen euro.
...

Het is bijna een landmark geworden: de stellingen rond het Justitiepaleis aan het Poelaertplein in Brussel. Het gebouw staat al veertig jaar in de steigers. De stellingen staan er zo lang dat ze niet meer veilig zijn voor de arbeiders die het gebouw onder handen moeten nemen. Ze worden dus vervangen, raakte in maart bekend. Kostprijs: 1,5 miljoen euro. Eind vorige maand nam minister van Justitie Vincent Van Quickenborne (Open Vld) 3500 nieuwe pc's in ontvangst. Ze zullen door magistraten worden gebruikt. Hun huidige pc's zijn gemiddeld acht jaar oud en werken met Office 2013. De servers draaien op een nog vijf jaar oudere Windows-versie. In dezelfde periode was er een grote brand op een militair schietterrein in Brecht waar de bluswerken bemoeilijkt werden omdat de brandweerwagen defect was.Het zijn drie voorbeelden van het vierkant draaien van de overheid die de wenkbrauwen doen fronsen. Belastingen dienen om de overheid te doen functioneren. Door de hoge belastingdruk in België kunnen de regeringen op veel fiscale inkomsten rekenen. In België bedraagt de belastingdruk 43 procent van het bruto binnenlands product (bbp), wat de totale fiscale inkomsten op meer dan 190 miljard euro brengt (zie grafiek België in top drie van hoogste belastingdruk). Dit jaar raamt het Rekenhof de belastingontvangsten voor het federale niveau op 118,2 miljard euro. Dat geld gaat naar de politie, het leger, de rechtbanken en de gevangenissen, de spoorwegen, de kabinetten, de ministeries, de parlementen, de ambassades, enzovoort. Maar om die taken te vervullen beschikt de federale overheid slechts over een deel van de fiscale inkomsten. 27,7 miljard euro om precies te zijn, leert het jongste rapport van het Rekenhof. Dat bedrag op zich zegt niet zoveel, maar dat is slechts een achtste van alle overheidsuitgaven in België. Behalve voor die kerntaken moet de federale regering ook belastinggeld gebruiken voor andere taken, zoals het betalen van de rentelasten, al dalen die al jaren. Momenteel gaat het om minder dan 8 miljard euro. Een paar jaar geleden was dat nog meer dan 10 miljard. De uitgaven voor de ambtenarenpensioenen stijgen wel. Dat gaat om 17 miljard euro. Maar die uitgaven verbleken bij waar het gros van de belastinginkomsten naartoe gaat: de sociale zekerheid. In de begroting van 2021 is 31 miljard euro voor de pensioenen van de werknemers ingeschreven, en 7,6 miljard euro voor werkloosheidsuitkeringen. De 3,7 miljard euro voor defensie, 2,9 miljard euro voor politie en 1,9 miljard euro voor justitie liggen veel lager. Het stelsel van werknemers, zelfstandigen en de sociale bijstand (met de vroegere OCMW's en de uitkeringen voor het leefloon) slorpt miljarden euro's op: 115 miljard euro. De sociale zekerheid wordt gefinancierd door sociale bijdragen, maar die zijn ruim onvoldoende om de rekening te doen kloppen. De sociale zekerheid wordt slechts voor een goede 60 procent gefinancierd met sociale bijdragen op het loon. Om de rekening te doen kloppen, vloeit er al jaren geld via de zogenaamde alternatieve financiering naar de sociale zekerheid. Het gaat om inkomsten uit btw en roerende voorheffing. Dit jaar gaat het om 20 miljard euro. Maar zelfs dat is niet genoeg om de sociale zekerheid uit de rode cijfers te houden. Daarnaast is er nog 24 miljard euro extra nodig. Al langer dan vandaag is de sociale zekerheid een koekoeksjong dat andere uitgaven wegduwt en een steeds groter deel van de fiscale inkomsten opeist.Daarnaast vloeit er ook geld naar de deelstaten via dotaties: meer dan 24 miljard euro per jaar. De deelstaten halen slechts een derde van hun inkomsten uit direct door hen geheven belastingen, zoals de successierechten, de registratierechten en de verkeersbelasting. Bij de deelstaten gaat het belastinggeld vooral naar onderwijs en welzijn. Dat slorpt 60 procent van het budget op. Onderwijs is al drie decennia de belangrijkste taak van de deelstaten. De post welzijn is sterk gestegen na de overheveling van de kinderbijslag. Tegelijk hebben de deelstaten ook een groot overheidsapparaat. Vlaanderen telt 190 ministeries en agentschappen. Ten slotte zijn er nog de lokale besturen die meer dan 30 miljard euro uitgaven aan taken als lokale politie en brandweer, huisvesting, onderwijs, milieu, afvalverwerking, cultuur en religie via de kerkfabrieken. De lokale overheden heffen een waslijst aan eigen belastingen, maar halen de meeste inkomsten uit de onroerende voorheffing. Dat alles maakt dat ons land de derde hoogste overheidsuitgaven van de Europese OESO-landen heeft en die worden gefinancierd door de derde zwaarste belastingdruk (zie grafiek België hoort bij landen met hoogste overheidsuitgaven in Europa). Dat is een politieke en maatschappelijke keuze. De Belgische politici leggen de nadruk op het belang van een goed uitgebouwde welvaartsstaat en de vergrijzingsuitdagingen. Dat maakt dat het bijna niet anders kan dan dat de sociale zekerheid de grote slokop van fiscale middelen is. Het is één zaak dat we veel belastingen betalen en dat de overheid het geld vooral gebruikt voor de sociale zekerheid. Maar de vraag is ook wat de belastingbetaler daarvoor terugkrijgt. Hebben we een goed werkende sociale zekerheid? Wat is de kwaliteit van de dienstverlening? Het verhaal van de renovatie van de stellingen aan het Brusselse Justitiepaleis toont aan dat België een probleem heeft. Naar de kwaliteit van de overheid wordt al jaren onderzoek verricht en worden rankings opgesteld, onder meer door de Vlaamse werkgeversorganisatie Voka. Hoewel België voor belastingdruk in de top drie staat van de Europese OESO-landen, krijgt de burger te weinig waar voor zijn geld. Tussen 2014 en 2019 zakte België van de veertiende naar de zeventiende plaats. Volgens de laatste berekeningen van Voka stond ons land vorig jaar op nummer zestien.De ranking wordt opgemaakt op basis van 57 indicatoren die worden samengevoegd in tien categorieën. Er zijn bedrijfsgerelateerde indicatoren, zoals de tijd die nodig is om een onderneming te starten. Daarnaast zijn er macro-economische criteria, zoals de werkzaamheidsgraad. Ook het onderwijs en de PISA-scores worden in rekening genomen. Voorts is er aandacht voor de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling, patentaanvragen en het aantal onderzoekers bij bedrijven. Het gewicht van de groene energie in de economie, de CO2-emissies of de waterzuivering en het afvalbeleid worden eveneens meegeteld, net als de kwaliteit van de gezondheidszorg. Ook de kwaliteit van de infrastructuur (wegen, spoor, digitalisering,...) wordt gemeten. België scoort goed voor het aantal dagen om een onderneming op te starten (plaats 5) en het aantal onderzoekers in de ondernemingen (7). We bengelen dan weer onderaan in de werkzaamheidsgraad (21), de regulering van productenmarkten (23) en het aantal nieuwkomers dat aan de slag is (24). Meer algemeen verloor België de voorbije jaren vooral terrein in macro-economische prestaties, sociaal kapitaal (vertrouwen in de overheid, armoederisico, werkzaamheidsgraad nieuwkomers) en onderwijs. "De Belg betaalt topprijzen voor matige kwaliteit", stelt Bart Van Craeynest vast, de Voka-hoofdeconoom die de ranking opstelt (zie grafiek Veel landen bieden dezelfde of hogere kwaliteit voor dezelfde of lagere uitgaven).Er zijn landen die dezelfde kwaliteit leveren met een gelijkaardige uitgebreide sociale welvaartsstaat. Spanje scoort op de 'waar voor je geld'-index even goed als België, maar met minder overheidsuitgaven. Ierland en Zwitserland leveren dan weer een betere kwaliteit met lagere overheidsuitgaven. Vooral Zwitserland valt op. Het geeft jaarlijks bijna 20 procent van het bbp of 90 miljard euro minder uit dan België. Al haast Van Craeynest zich om te zeggen dat "de overheidsuitgaven daar automatisch lager liggen omdat er in de sociale zekerheid een grotere focus is op private oplossingen in gezondheidszorg en sociale bescherming". Moeten we ons dan niet meer spiegelen aan de Scandinavische landen die een hoge belastingdruk hebben, maar waar de burgers een betere return krijgen? "Dat is de meeste interessante vergelijking omdat de sociale uitgaven in landen als Zweden en Denemarken even hoog liggen als hier", zegt Van Craeynest. "Met hun hogere werkzaamheidsgraad en langere loopbanen zou je verwachten dat de sociale uitgaven daar lager zijn, maar dat klopt niet. Ze worden wel efficiënter gebruikt. Een groter deel van de arbeidsmarktuitgaven gaat daar bijvoorbeeld naar opleiding en activering, terwijl we het in België vooral aan uitkeringen besteden. De sociale zekerheid werkt daar gewoon beter." Eerder dan te kijken naar de noordelijke landen wendt de Voka-econoom de blik naar Duitsland en Oostenrijk. "We staan in België door de coronacrisis voor zware budgettaire uitdagingen. Daarom denk ik dat we moeten focussen op lagere overheidsuitgaven en een efficiëntere overheid. De Belgische overheidsuitgaven namen de voorbije jaren relatief gezien af, onder andere door de dalende rentelasten en de lagere werkloosheidsuitkeringen, maar die evolutie is in 2018 gestopt." Eén van de belangrijkste oorzaken van de zwakke kwaliteit van de staat zijn de jarenlange ondermaatse overheidsinvesteringen. Sinds de jaren tachtig zijn die net voldoende om de natuurlijke slijtage te herstellen, terwijl de economische activiteit is verdubbeld. Van Craeynest: "Het gevolg is dat er geen infrastructuur is waarvoor je betaalt. Komt daar met het relanceplan verandering in? Neen. Het geld is welkom, maar de impact beperkt zich tot 0,3 procent van het bbp per jaar extra voor overheidsinvesteringen over een periode van vijf jaar. Vergelijk dat met Zweden, waar de publieke investeringen per jaar 2 procent van het bbp hoger liggen. Naast het relanceplan kan de kwaliteit van de overheid pas verbeteren als die efficiënter gaat werken, er nog meer aandacht is voor innovatie en opleiding, er een focus is op een beter werkende arbeidsmarkt, een preventieve gezondheidszorg en het optrekken van de kwaliteit van het onderwijs."