Sinds de regering-Di Rupo leeft België in een permanente budgettaire stresssituatie. Jaar na jaar slagen we er niet in minder uit te geven dan wordt opgehaald bij de burgers. De Zweedse coalitie van Charles Michel zwoer een dure eed dat ze het budget in evenwicht zou brengen. Intussen zijn we pijnlijk van die wolk gedonderd. We stevenen af op een tekort van 2,3 procent. Het evenwicht is verder weg dan ooit.

Nochtans zijn de belastingen in België best pittig. Iedereen betaalt zich blauw aan consumptiebelastingen (zoals btw en accijnzen), transactiebelastingen (zoals beurstaksen), belastingen op kapitaal (zoals registratierechten en onroerende voorheffing) en belastingen op arbeid. De Belgische belastingdruk behoort in al die categorieën bij de hoogste ter wereld.

De return on investment op de betaalde belasting is te laag. Onze overheid is gewoon te duur. Nederlanders betalen op elke euro 38,8 eurocent aan de overheid, Belgen 44,8 eurocent. Nederland kan dus functioneren met miljarden euro's minder, en het lijkt het met minder zelfs een stuk beter te doen.

Met die wetenschap zou je verwachten dat de broodnodige verlaging van de belasting op arbeid zou worden gefinancierd met efficiëntiewinsten op het functioneren van de overheid. Maar dat gebeurt niet. Het mantra is de taxshift. Kapitaal moet meer bijdragen, waardoor de lasten op arbeid kunnen dalen. Maar er wordt vergeten dat de belastingdruk op kapitaal al heel hoog is. Elke nieuwe verhoging stuit dan ook op grote weerstand van burgers. Die weerstand vertaalt zich in een lagere opbrengst en dus een tekort op de begroting. Dat fenomeen heet het Laffer-effect. Als een belasting onredelijk stijgt, daalt de opbrengst.

Als je kijkt naar de fiscale bevoordeling van het spaarboekje, val je van je stoel.

Hopelijk beseft de nieuwe regering dat nog hogere belastingen op kapitaal of nieuwe belastingen in de vorm van een rijkentaks, speculatietaks of effectentaks, niet de weg vooruit is. Er moet radicaal worden ingezet op een efficiëntere overheid die als een goede huisvader omgaat met het belastinggeld. Daarnaast kunnen nog enkele onredelijke voordeelregimes worden aangepakt. Maar dat moet dan wel slim gebeuren. Anders komt er weerstand tegen, wat leidt tot lagere opbrengsten en dus budgettaire problemen.

Een voorbeeld van zo'n slimme ingreep is de afschaffing van het fiscale voordeel op de gereglementeerde spaarrekeningen. Op de spaarboekjes staat een bedrag van 280 miljard euro. Door de extreem lage rente levert sparen nog amper iets op. Als je kijkt naar de fiscale bevoordeling van het spaarboekje, val je van je stoel. Intrest wordt normaal bruto belast met roerende voorheffing, die intussen is opgelopen tot 30 procent. Op een spaarboekje krijg je een vrijstelling op 990 euro intrest per persoon cadeau. Krijg je meer dan 990 euro intrest per jaar, dan wordt het deel boven dat grensbedrag slechts belast tegen 15 procent.

Door de lage rente zou de spaarder de afschaffing van dat voordeel amper voelen. Neem een spaarboekje van 100.000 euro. Tegen het wettelijke minimale rendement levert die som jaarlijks nog 110 euro op. Dat rendement wordt niet belast. Als die intrest wordt behandeld zoals elke andere intrestbetaling, is daarop een belasting van 33 euro verschuldigd. Dat bedrag is te klein om je gedrag als belegger te wijzigen. Uiteraard draagt die ingreep op korte termijn maar beperkt bij tot de begroting - om en bij 92,4 miljoen euro. Maar de bijdrage kan tenminste correct worden ingeschat. Als de intrest ooit stijgt, wordt de bijdrage heel belangrijk.

Met zulke slimme fiscale ingrepen kunnen vermogens een werkelijke en meetbare extra bijdrage leveren aan de begroting. Op die manier - én door drastisch in te zetten op een efficiëntere overheid - kunnen we de lasten op arbeid betekenisvol doen dalen. Het is nu hopen op een nieuwe federale regering, die fiscaal uit een ander vaatje tapt dan de vorige. Hoop doet leven.

Sinds de regering-Di Rupo leeft België in een permanente budgettaire stresssituatie. Jaar na jaar slagen we er niet in minder uit te geven dan wordt opgehaald bij de burgers. De Zweedse coalitie van Charles Michel zwoer een dure eed dat ze het budget in evenwicht zou brengen. Intussen zijn we pijnlijk van die wolk gedonderd. We stevenen af op een tekort van 2,3 procent. Het evenwicht is verder weg dan ooit. Nochtans zijn de belastingen in België best pittig. Iedereen betaalt zich blauw aan consumptiebelastingen (zoals btw en accijnzen), transactiebelastingen (zoals beurstaksen), belastingen op kapitaal (zoals registratierechten en onroerende voorheffing) en belastingen op arbeid. De Belgische belastingdruk behoort in al die categorieën bij de hoogste ter wereld. De return on investment op de betaalde belasting is te laag. Onze overheid is gewoon te duur. Nederlanders betalen op elke euro 38,8 eurocent aan de overheid, Belgen 44,8 eurocent. Nederland kan dus functioneren met miljarden euro's minder, en het lijkt het met minder zelfs een stuk beter te doen. Met die wetenschap zou je verwachten dat de broodnodige verlaging van de belasting op arbeid zou worden gefinancierd met efficiëntiewinsten op het functioneren van de overheid. Maar dat gebeurt niet. Het mantra is de taxshift. Kapitaal moet meer bijdragen, waardoor de lasten op arbeid kunnen dalen. Maar er wordt vergeten dat de belastingdruk op kapitaal al heel hoog is. Elke nieuwe verhoging stuit dan ook op grote weerstand van burgers. Die weerstand vertaalt zich in een lagere opbrengst en dus een tekort op de begroting. Dat fenomeen heet het Laffer-effect. Als een belasting onredelijk stijgt, daalt de opbrengst.Hopelijk beseft de nieuwe regering dat nog hogere belastingen op kapitaal of nieuwe belastingen in de vorm van een rijkentaks, speculatietaks of effectentaks, niet de weg vooruit is. Er moet radicaal worden ingezet op een efficiëntere overheid die als een goede huisvader omgaat met het belastinggeld. Daarnaast kunnen nog enkele onredelijke voordeelregimes worden aangepakt. Maar dat moet dan wel slim gebeuren. Anders komt er weerstand tegen, wat leidt tot lagere opbrengsten en dus budgettaire problemen. Een voorbeeld van zo'n slimme ingreep is de afschaffing van het fiscale voordeel op de gereglementeerde spaarrekeningen. Op de spaarboekjes staat een bedrag van 280 miljard euro. Door de extreem lage rente levert sparen nog amper iets op. Als je kijkt naar de fiscale bevoordeling van het spaarboekje, val je van je stoel. Intrest wordt normaal bruto belast met roerende voorheffing, die intussen is opgelopen tot 30 procent. Op een spaarboekje krijg je een vrijstelling op 990 euro intrest per persoon cadeau. Krijg je meer dan 990 euro intrest per jaar, dan wordt het deel boven dat grensbedrag slechts belast tegen 15 procent. Door de lage rente zou de spaarder de afschaffing van dat voordeel amper voelen. Neem een spaarboekje van 100.000 euro. Tegen het wettelijke minimale rendement levert die som jaarlijks nog 110 euro op. Dat rendement wordt niet belast. Als die intrest wordt behandeld zoals elke andere intrestbetaling, is daarop een belasting van 33 euro verschuldigd. Dat bedrag is te klein om je gedrag als belegger te wijzigen. Uiteraard draagt die ingreep op korte termijn maar beperkt bij tot de begroting - om en bij 92,4 miljoen euro. Maar de bijdrage kan tenminste correct worden ingeschat. Als de intrest ooit stijgt, wordt de bijdrage heel belangrijk. Met zulke slimme fiscale ingrepen kunnen vermogens een werkelijke en meetbare extra bijdrage leveren aan de begroting. Op die manier - én door drastisch in te zetten op een efficiëntere overheid - kunnen we de lasten op arbeid betekenisvol doen dalen. Het is nu hopen op een nieuwe federale regering, die fiscaal uit een ander vaatje tapt dan de vorige. Hoop doet leven.