De zeer inspirerende Code Buysse III van het Instituut voor het Familiebedrijf, dat aanbevelingen voor goed bestuur bevat voor niet-beursgenoteerde ondernemingen, geeft terecht een prominente plaats aan een raad van advies. Die facultatieve raad functioneert als een klankbord voor de bestuurders. Er wordt gepingpongd over het beleid, de langetermijnvisie, de strategie en andere zaken die de waan van de dag overstijgen. Er worden geen beslissingen genomen, er worden hoogstens aanbevelingen geformuleerd.

De code roept op de raad ook te bevolken met externen, dus andere personen dan aandeelhouders of managers. Het hof van beroep van Brussel heeft op 18 december moeten beslissen over het fiscaal statuut van die externe leden.

In de private equity, een sector die focust op investeren in niet-beursgenoteerde ondernemingen, had een onderneming een adviesraad opgericht die bestond uit prominente leden uit het bedrijfsleven. In de private-equitysector is het gebruikelijk dat managers delen in de vruchten van de onderneming door ze te laten participeren in het risicodragende kapitaal. In die zaak ging men nog een stap verder en kregen niet alleen de managers die mogelijkheid, maar ook de externe leden van de adviesraad.

Na verloop van tijd werd de onderneming verkocht en één van die leden realiseerde daarbij een grote meerwaarde op aandelen. Hij ging ervan uit dat die meerwaarde een loutere privétransactie betrof, niet speculatief en dus belastingvrij. Maar de Bijzondere Belastinginspectie belastte de meerwaarde als een beroepsinkomen tegen een tarief van 50 procent. Het geschil kwam voor het hof van beroep, dat moest oordelen of voor het lid van de raad van advies al dan niet sprake was van een beroep.

Adviseren is geen hobby.

De BBI meende van wel omdat de adviseur zijn professionele kennis, zijn professionele relaties en ervaring ter beschikking stelde in ruil voor een aandelenparticipatie en dat tegen zeer aantrekkelijke voorwaarden. De belastingplichtige vond dat een brug te ver en vond dat moeilijk sprake kan zijn van een beroep als die raad maar tweemaal per jaar wordt georganiseerd, waarbij hij enkel zijn mening kwam zeggen over mogelijke investeringen als hij er zin in had en zijn agenda het toeliet. Er was geen enkele aanwezigheids- of rapporteringsverplichting. Het lidmaatschap was veeleer een prestigezaak, zijn naam verbinden aan een succesvol project.

Er is sprake van een beroepsactiviteit als het gaat om een geheel van verrichtingen die voldoende talrijk en onderling verbonden zijn om een gewone en voortgezette activiteit te vormen en die tot doel heeft inkomsten te verwerven. Het hof poneert dat men bezwaarlijk van een belangeloze hobby of tijdverdrijf kan spreken als een topman van een onderneming, een captain of industry, zijn kennis en kunde van de Belgische economische markt aanwendt in een raad van advies om "over de overwogen investeringen een mening te geven". De onderneming had de man net aangesproken voor zijn kennis, kunde en topondernemerschap.

Dat de raad niet frequent bijeenkwam, is volgens het hof niet relevant. Meer was in dat geval niet nodig. Het aantal investeringen dat werd overwogen, was niet hoog en zij werden maanden of jaren voorbereid waardoor één of twee keer advies per jaar meer dan voldoende was om te besluiten tot een adviseursactiviteit. En die paar keer per jaar duurde wel jarenlang voort. Dat duidt op een frequentie, op herhaling, op een geheel van verrichtingen.

Dat dat vrijblijvend en slechts een prestigezaak was, belet niet dat het vervullen van prestigetaken een dankbare aanvulling is van het professionele cv en een versterking van het professionele profiel. De link met de andere professionele activiteiten benadrukt het beroepskarakter. Het hof besloot dan ook dat de aandelen verbonden waren met een beroepsactiviteit.

Leden van een raad van advies die vergoedingen ontvangen, in welke vorm ook, inclusief terugbetaalde kosten, weten wat hen te wachten staat.

De zeer inspirerende Code Buysse III van het Instituut voor het Familiebedrijf, dat aanbevelingen voor goed bestuur bevat voor niet-beursgenoteerde ondernemingen, geeft terecht een prominente plaats aan een raad van advies. Die facultatieve raad functioneert als een klankbord voor de bestuurders. Er wordt gepingpongd over het beleid, de langetermijnvisie, de strategie en andere zaken die de waan van de dag overstijgen. Er worden geen beslissingen genomen, er worden hoogstens aanbevelingen geformuleerd. De code roept op de raad ook te bevolken met externen, dus andere personen dan aandeelhouders of managers. Het hof van beroep van Brussel heeft op 18 december moeten beslissen over het fiscaal statuut van die externe leden.In de private equity, een sector die focust op investeren in niet-beursgenoteerde ondernemingen, had een onderneming een adviesraad opgericht die bestond uit prominente leden uit het bedrijfsleven. In de private-equitysector is het gebruikelijk dat managers delen in de vruchten van de onderneming door ze te laten participeren in het risicodragende kapitaal. In die zaak ging men nog een stap verder en kregen niet alleen de managers die mogelijkheid, maar ook de externe leden van de adviesraad. Na verloop van tijd werd de onderneming verkocht en één van die leden realiseerde daarbij een grote meerwaarde op aandelen. Hij ging ervan uit dat die meerwaarde een loutere privétransactie betrof, niet speculatief en dus belastingvrij. Maar de Bijzondere Belastinginspectie belastte de meerwaarde als een beroepsinkomen tegen een tarief van 50 procent. Het geschil kwam voor het hof van beroep, dat moest oordelen of voor het lid van de raad van advies al dan niet sprake was van een beroep.De BBI meende van wel omdat de adviseur zijn professionele kennis, zijn professionele relaties en ervaring ter beschikking stelde in ruil voor een aandelenparticipatie en dat tegen zeer aantrekkelijke voorwaarden. De belastingplichtige vond dat een brug te ver en vond dat moeilijk sprake kan zijn van een beroep als die raad maar tweemaal per jaar wordt georganiseerd, waarbij hij enkel zijn mening kwam zeggen over mogelijke investeringen als hij er zin in had en zijn agenda het toeliet. Er was geen enkele aanwezigheids- of rapporteringsverplichting. Het lidmaatschap was veeleer een prestigezaak, zijn naam verbinden aan een succesvol project. Er is sprake van een beroepsactiviteit als het gaat om een geheel van verrichtingen die voldoende talrijk en onderling verbonden zijn om een gewone en voortgezette activiteit te vormen en die tot doel heeft inkomsten te verwerven. Het hof poneert dat men bezwaarlijk van een belangeloze hobby of tijdverdrijf kan spreken als een topman van een onderneming, een captain of industry, zijn kennis en kunde van de Belgische economische markt aanwendt in een raad van advies om "over de overwogen investeringen een mening te geven". De onderneming had de man net aangesproken voor zijn kennis, kunde en topondernemerschap.Dat de raad niet frequent bijeenkwam, is volgens het hof niet relevant. Meer was in dat geval niet nodig. Het aantal investeringen dat werd overwogen, was niet hoog en zij werden maanden of jaren voorbereid waardoor één of twee keer advies per jaar meer dan voldoende was om te besluiten tot een adviseursactiviteit. En die paar keer per jaar duurde wel jarenlang voort. Dat duidt op een frequentie, op herhaling, op een geheel van verrichtingen. Dat dat vrijblijvend en slechts een prestigezaak was, belet niet dat het vervullen van prestigetaken een dankbare aanvulling is van het professionele cv en een versterking van het professionele profiel. De link met de andere professionele activiteiten benadrukt het beroepskarakter. Het hof besloot dan ook dat de aandelen verbonden waren met een beroepsactiviteit.Leden van een raad van advies die vergoedingen ontvangen, in welke vorm ook, inclusief terugbetaalde kosten, weten wat hen te wachten staat.