De gemeentelijke opcentiemen leiden een grijs bestaan. Niemand ligt er echt wakker van. Af en toe komt die belasting eens aan de oppervlakte - bijvoorbeeld als iemand zich inschrijft in Knokke of Koksijde, om die belasting te vermijden. Maar voor de rest heerst windstilte. De gemeentelijke opcentiemen zijn een toeslag op de personenbelasting. Afhankelijk van de gemeente varieert het tarief doorgaans tussen 5 en 8,8 procent. Het gemiddelde ligt rond 7 procent. Dat betekent dat als u 100 euro personenbelasting moet betalen, uw belastingfactuur stijgt tot 107 euro.

De opcentiemen zijn voor de gemeenten een belangrijke bron van inkomsten. In 2015 heeft die belasting in Vlaanderen liefst 1,9 miljard euro opgeleverd. De meeste gemeenten zijn er in ruime mate afhankelijk van om hun dagelijkse werking te bekostigen.

Het grijze bestaan van de gemeentelijke opcentiemen heeft veel te maken met de eenvoud van het systeem. Het neemt slechts één lijntje in beslag op het aanslagbiljet, dat hoe dan ook al onleesbaar is. De toeslag wordt mee geïnd met de personenbelasting, waardoor de burger de indruk heeft dat het geen afzonderlijke heffing is. De gemeenten bepalen het tarief en de belasting wordt gratis voor hen geïnd en op hun rekening gestort.

Achter de eenvoud van de gemeentelijke opcentiemen gaat heel wat oneerlijkheid schuil

Maar achter die eenvoud gaat heel wat oneerlijkheid schuil. Vooreerst is er een systeemfout, waardoor rijke gemeenten nog rijker worden en arme gemeenten armer. Gemeenten met inwoners die goed verdienen, kunnen het tarief laag houden. Gemeenten met een arme populatie moeten het nominale tarief hoger leggen, opdat de belasting voldoende zou opbrengen. Maar daardoor jagen ze de goede verdieners net weg. Daarbovenop komen de kosten. Die zijn veel hoger in arme gemeenten, bijvoorbeeld voor het OCMW, de veiligheid of de armoedebestrijding. Die perfide logica vergroot de kloof tussen de arme en de rijke gemeenten jaar na jaar.

En er is nog meer. Er zijn belangrijke categorieën van burgers die de toeslag zelfs niet hoeven te betalen. Hoewel ze in dezelfde gemeente wonen en gebruikmaken van de gemeentelijke dienstverlening, hebben sommigen de lusten zonder te moeten delen in de lasten. Zo is de gemeentelijke toeslag verschuldigd op beroepsinkomsten, onroerende inkomsten en diverse inkomsten. De roerende inkomsten - intresten en dividenden - ontspringen de dans.

De toeslag is enkele jaren geleden volledig afgeschaft, om tegemoet te komen aan een veroordeling door het Hof van Justitie. Die hekelde terecht dat buitenlandse roerende inkomsten die ondergingen, en niet in België geïnde roerende inkomsten. Maar in plaats van die discriminatie op te heffen door alle roerende inkomsten aan de gemeentelijke opcentiemen te onderwerpen, is gekozen voor de afschaffing, waardoor een nieuwe discriminatie ontstond. Een typische halfbakken oplossing à la belge dus.

Tot slot zijn er de vele diplomaten. Zij betalen geen Belgische personenbelasting, maar wel de belasting van hun thuisland. Europese ambtenaren betalen inkomstenbelasting aan de Europese Commissie. Doordat zij geen Belgische personenbelasting afdragen, dragen zij ook niet bij aan de financiering van de gemeente waar ze wonen. Dat is vooral een probleem in Brussel en Brabant, waar enkele tienduizenden op die manier kunnen freeriden op kosten van hun Belgische buren.

Bij de herziening van de personenbelasting wordt dus het beste nagedacht over alternatieven. Het uitgangspunt moet zijn dat alle inwoners volgens hun draagkracht bijdragen aan de werking van de gemeente. Ook moet worden nagedacht over een herverdeling tussen rijke en arme gemeenten. Dat is een heilige koe, maar de gemeenteraadsverkiezingen zijn een momentum om dat debat toch te voeren.