Vorig jaar ging het nog om 1,9 procent van de werknemers die betaald educatief verlof hebben genomen, het vijfde jaar van afname op rij. Dat blijkt maandag uit cijfers van HR-dienstverlener Acerta, gebaseerd op gegevens van meer dan 40.000 privéwerkgevers.

Acerta merkt opvallende regionale verschillen. Zo maakt in Wallonië slechts 1 procent van de werknemers gebruik van het betaald educatief verlof, de helft van het gemiddelde voor Vlaanderen (2 procent). Ook in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (1,4 procent van de werknemers) is betaald educatief verlof minder populair dan in Vlaanderen.

De 1,9 procent werknemers die zich in 2018 bijschoolden via het stelsel van betaald educatief verlof, bleven gemiddeld 51 uur afwezig van het werk voor dat verlof. In 2017 was dat nog 58 uur. Daarmee bereiken ze weliswaar ruim het vooropgestelde minimum van 32 uur, maar ze blijven wel ver af van het maximum van 120 uur.

'We stellen vast dat werknemers weinig en ook almaar minder opteren voor educatief verlof', zegt Dirk Wijns, director Acerta Consult. 'Dat betekent niet automatisch dat werknemers niet zouden (willen) bijleren, maar ze doen het blijkbaar zelden via dit stelsel. Dat zij die er wel van gebruikmaken aan 51 uur educatief verlof komen, betekent dat zij ook nog eens heel zuinig omgaan met de uren waarop ze aanspraak kunnen maken.'

Het betaald educatief verlof is een gewestelijke bevoegdheid. Vanaf 1 september 2019 krijgt het BEV in Vlaanderen een doorstart in de vorm van een nieuw Vlaams Opleidingsverlof (VOV). Dat is een systeem dat meer performantie nastreeft voor werknemers die een arbeidsmarktgerichte of loopbaangerichte opleiding willen volgen.