Frank Vandenbroucke: 'Pensioenen loskoppelen van nationale economie'

10/09/15 om 14:09 - Bijgewerkt om 14:08

Bron: Moneytalk

"Een goed pensioenstelsel wordt gefinancierd door een mix van repartitie en kapitalisatie", vindt Frank Vandenbroucke, een van de grote voorvechters van het aanvullende pensioen zoals we dat vandaag kennen. Hij pleit ervoor minstens een deel van het geld voor onze oude dag in de wereldeconomie te investeren.

Frank Vandenbroucke: 'Pensioenen loskoppelen van nationale economie'

Frank Vandenbroucke © BELGA

Dit interview met Frank Vandenbroucke verscheen eerder in Trends Magazine.

Lees hier de opinie van Karin Temmerman (SP.A) waarin zij minister van Pensioenen Daniel Bacquelaine aanraadt het rapport van de pensioencommissie opnieuw te lezen.

"Een systeem waarbij de actieve bevolking betaalt voor de lopende pensioenen van de bevolking op rust, ofwel repartitie, is gevoelig aan de evolutie van de loonmassa, aan de nationale economie", zegt ex-minister van Pensioenen, Frank Vandenbroucke. "In de mate dat de kapitalen geïnvesteerd zijn in andere werelddelen, krijg je een koppeling met de evolutie van de wereldeconomie. Dat is het belangrijkste argument voor een financieringsmix.

Kapitalisatie betekent zoveel als geld beleggen en de opbrengsten van die beleggingen op hun beurt beleggen. Wanneer de Belgische economie minder sterk groeit, kunnen beleggingen in de rest van de wereld mee profiteren van het potentieel van groeilanden. Het aanvullende pensioen is natuurlijk slechts een aanvulling op het wettelijke pensioen, maar wel een nuttige aanvulling én het zorgt voor een zekere spreiding van de risico's."

WAP

Delen

"We moeten streven naar bijdragen van minstens 3 procent van het loon van de werknemers"

Het aanvullende pensioen in België is uniek. De wet op de aanvullende pensioenen (WAP) verplicht de werkgevers minstens een gemiddeld jaarlijks rendement van 3,25 procent te garanderen op het kapitaal dat opzij staat voor de oude dag van hun werknemers. Die verplichting ligt bij de werkgevers, maar zij besteden de organisatie van het pensioenplan voor de werknemers uit aan verzekeraars of aan bedrijfs- en sectorpensioenfondsen.

Er zijn in ons land ongeveer 2,6 miljoen mensen die een aanvullend pensioen opbouwen via hun werkgever. Met zelfstandigen en bedrijfsleiders erbij hebben ongeveer 3 miljoen Belgen een potje opzij staan voor hun oude dag. Frank Vandenbroucke beoogde als minister van Pensioenen zo'n 15 jaar geleden de democratisering van het aanvullend pensioen. We vroegen hem of hij tevreden is met de geboekte vooruitgang.

Vandenbroucke: "Wij wilden bewerkstelligen dat niet enkel kaderleden, maar ook gewone bedienden en arbeiders toegang kregen tot het collectieve sparen voor een aanvullend pensioen. Wat het aantal mensen betreft, zijn we op het eerste gezicht geslaagd in ons opzet. Maar stortingen ter waarde van 1 of 2 procent van het loon zijn te weinig om te spreken over een aanvullend pensioen. Dat is te weinig om alle inspanningen te verantwoorden. We moeten streven naar bijdragen van minstens 3 procent van het loon van de werknemers. De pensioencommissie pleit ervoor om binnen de nauwe marges van het loonoverleg een deel van elke loonsverhoging te gebruiken om het aanvullend pensioen uit te breiden. Waarom worden er dingen uitgevonden zoals eco-cheques? Mensen weten soms niet waaraan ze die moeten besteden. Ze zijn ronduit vervelend."

Uitstel sociaal akkoord

De meeste bedrijven kozen voor de formule van een groepsverzekering, omdat ze niet voor verrassingen willen komen te staan. De pensioenfondsen geven zelf geen garanties. Ze beleggen het geld voor de lange termijn en proberen een zo hoog mogelijk rendement te halen zonder teveel risico's te nemen. Wanneer er tekorten opduiken, moeten de bedrijven geld bij storten in de pensioenfondsen. Na de beurscrash in 2008 moesten verschillende pensioenfondsen aankloppen bij hun "sponsor", de werkgever waarvoor zij geld beheren.

De verzekeraars geven wel garanties, maar de rendementen van de groepsverzekeringen liggen momenteel historisch laag. Te laag. In 2010 trokken de Belgische verzekeraars een eerste keer aan de alarmbel, omdat zij toen al vreesden dat ze het wettelijke minimumrendement van 3,25 procent in de toekomst niet meer zouden kunnen bolwerken.

Vijf jaar later is de rendementsgarantie een splijtzwam in het sociale overleg. De vakbonden willen liefst dat alles bij het oude blijft, de werkgevers willen niet riskeren dat ze straks opdraaien voor het verschil tussen het werkelijke rendement op de groepsverzekeringen en het wettelijke minimumrendement. "Wij willen juridische zekerheid", klinkt het bij de werkgevers. "Contractbreuk", repliceren de werknemers.

De minister van pensioenen, Daniel Baquelaine, had op voorhand 30 juni als deadline gesteld voor de sociale partners. Hij zou "zijn verantwoordelijkheid nemen" als werkgevers en werknemers niet tot een akkoord zouden komen en zelf een oplossing formuleren. De onderhandelingen verlopen echter moeizaam en de sociale partners hebben ondertussen uitstel gevraagd en gekregen.

Verantwoordelijkheid verzekeraars

"Ik vond het destijds essentieel dat een minimumrendement voorzien werd, omdat we een grote groep mensen moesten overtuigen dat dit geen riskant systeem is. De hoogte van de rendementsgarantie was het resultaat van onderhandelingen", zegt Vandenbroucke, de minister onder wiens auspiciën de zogenaamde WAP-garantie tot stand kwam. "Als het niveau van die garantie in de huidige context niet houdbaar is, dan moet het niveau herbekeken worden."

Delen

"De verzekeringssector moet ook in eigen boezem kijken"

"Maar", voegt Vandenbroucke eraan toe, "de verzekeringssector moet ook in eigen boezem kijken. De verzekeraars hebben in het verleden rendementen op de groepsverzekeringen toegekend die ver boven de wettelijke rendementsgarantie lagen. Die hoge rendementen uit het verleden dragen ook bij aan het probleem." Vandenbroucke suggereert dat de verzekeraars in de vette jaren meer geld opzij hadden moeten houden, om de magere jaren door te komen.

De ex-minister is een groot voorstander van de democratisering van de zogenaamde tweede pijler van het pensioen. Die pijler staat naast het wettelijke pensioen (eerste pijler) en het individuele pensioensparen (derde pijler). "Begin deze eeuw hebben we een offensief gestart om er op termijn voor te zorgen dat niet enkel kaderleden, maar alle arbeiders en bedienden een aanvullend pensioen zouden kunnen genieten."

"Kostenstructuur onder de loep"

Vandenbroucke: "Ik wil het debat niet moeilijker maken dan het al is, maar het is ook een uitgelezen moment om ook de kostenstructuur van de pensioenplannen onder de loep te nemen. Het aanvullende pensioen moet zo doorzichtig mogelijk zijn. Het zou niet slecht zijn als de aangeslotenen van een pensioenplan meer zicht krijgen op de kosten." Volgens de letter van de wet mogen de verzekeraars en de pensioenfondsen tot 5 procent kosten aanrekenen. En dat is behoorlijk veel.

De academicus wil geen uitspraken doen over de beste oplossing. Hij benadrukt dat de sociale partners tot een vergelijk moeten komen. De verzekeraars lieten al herhaaldelijk weten dat er in hun ogen slechts één oplossing is: een wettelijk gegarandeerd minimumrendement gelinkt aan de rente op Belgisch staatspapier. Die rente kan sterk schommelen. In november 2011 tikte de Belgische lange rente bijna 6 procent aan, en ging tot 0,3 procent midden april 2015. De verzekeraars wezen eerder een voorstel van pensioenexpert Philip Neyt om het nominale rendement in de wetteksten te vervangen door een reëel rendement af. Neyt deed het voorstel, omdat de werknemers zo nog altijd zeker zijn dat hun uitgestelde loon zijn koopkracht behoudt.

"Ik doe geen uitspraken over hoe hoog de wettelijke rendementsgarantie moet zijn", zegt Vandenbroucke. "Maar het moet wel een ernstige garantie zijn. Een variabele garantie gelinkt aan de rente op Belgisch staatspapier is geen garantie. Het gaat hier niet om een beleggingsclub. Er moet een minimaal rendement gegarandeerd worden, zodat er vertrouwen is in het pensioenstelsel en alle werknemers ervan overtuigd is dat een aanvullend pensioen zinvol is. Daarbij is het ook belangrijk dat het aanvullend pensioen zo doorzichtig mogelijk is."

Onze partners